Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.367
ook dan zouden de invallende stralen, na hunnen doorgang, zich nog verec-
nigen, cn wel in de lijn, die door het punt a en het midden O der lens getrok-
ken wordt.
Hoe digter de lichtstralen bij de as an liggen, dat is hoe kleiner de hoek
ca^is, hoe naauwkeuriger zij zich na hunnen doorgang in een punt zullen
vereenigen. Daarom keert men de stralen, die nabij den rand der lens zouden
invallen, doorgaans door een ondoorschijnend tusschenschot {diaphrayma) AÏ. Fig.
194 stelt zulk eene inrigting voor. cr//verbeeldt de doorsnede van eene voor
Fig 194 ^^ geplaatste, cirkelvormige, dunne, koperen plaat, waar-
in eene ronde opening rf c is geboord. Al de stralen, die door deze
opening vallen, kunnen slechts het midden der lens treffen. De
in de figuur voorgestelde lens heeft voor elke harer zijden niet ilen
zelfden krommingsstraal. Wanneer wij de dikte lm der lens (zie
fig. 191) 1 stellen, dan is hier de kromming.sstraal km, voor de
meest bolle vlakte, 2,6 genomen en die il voor de meer vlakke
Zijde gelijk aan 8. Zulke lenzen noemt men lenzen van den besten
vorm. Zij doen de stralen meer naauwkeurig in een punt zaïnen-
f ^ loopen dan die met gelijke krommingen.
Kr is gemakkelijk uit figuur 193 op te maken; dat, hoe meer het punt a tot
de lens nadert, des ie verder het vereenigingspunt a' zal liggen en omgekeerd. Gij
zult bij het ontwerpen eener teekening voor deze gevallen, dat niet veel moeite
kan baren, deze waarheid bevestigd vinden.
De lichtstralen van een punt, dat zeer ver afgelegen is, bij voorbeeld de
stralen der zon, kan men, gelijk bekend is, als aan de as a a evenwijdig loo-
pende beschouwen; en, wat vooral opmerking verdient, deze stralen vereeni-
gen zich in n of m (zie fig. 193), of k eu i fig. 191, naarmate de stralen van
de zijde a of fl' invallen, en dus in het middelpunt van den bol, waarvan de
oppervlakten der lens ecu deel uitmaken. Dit punt n of m noemt men het
brandpunt der lens; de reden dezer benaming ligt in de hitte, die de gecon-
centreerde zonnestralen in dat punt doen kennen. Door deze waarheid wordt
het gemakkelijk, om den afstand van het brandpunt eener lens te vinden ; men
heeft slechts op te merken, hoever men het glas van eene zekere vlakte moet
verwijderd houden, om door de zonnestralen, die men er mede opvangt, het
scherpst begrensde lichtpunt op het gezegde vlak te verkrijgen. Had tle lens
eene plat bolle of planconvexe gedaaiu zie tig 192), zoo zou het brandpunt
op den dubbelen afstand c d, of in f liggen.
Het spreekt weder van zelf, dat, wanneer een lichtgevend punt zich in het
brandpunt eener dubbel- of biconvexe lins lïfZ fig. 193) bevindt, de stralen,
die er zich van verspreiden, na den doorgang door het glas evenwijdig aan
elkander zullen loopen»
Er is niet céiie lens, die alle stralen, van e'én punt uitgaande, weder vol-
komen in een punt vereenigt. Men noemt dit gebrek afwijking wegens bolvor-