Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.386
sïrWdcr \h\Uecmfl, en li of/e die der vlakte eld. Hoe grooter deze stra-
len genomen worden, hoe vlakker de lens is.
Fig. 192. Fig. 192 maakt aanschouwelijk, dat eene plan-
convexe leus een lM)lvormlg segment/; ea van een'
hol l)f(id uitmaakt.
Het eerste, wat wij thans te vermelden hehhen, dat
langs wiskundigen weg en door proefnemingen be-
vestigd wordt, en eenigzins in overeenstemming
schijnt met de eerste waarheid, die wij aangaande
holle spiegels voordroegen, is : dal al de lichtstralen,
die van één punt uitgaan, en door een klein gedeelte i'on het bolle oppervlak van eene
lens gebroken worden, zich geramcntUjk, nn de breking, weder In één punt zullen
vcreenigen. Dit is de grondwaarheid tot verklaring van alles, wat aangaande de
lenzen wordt aan het licht gebragt. Zij wordt op de navolgende wijze opge-
helderd. Zij /rz (zie fig. 193) eene dubbel convexe lens ; a een lichtend punt; m
Fig. 193.
het middelpunt van den bol, waartoe de oppervlakte fr b Z, en n dat, waartoe
de bolle zijde fFcZ behoort; dan verbeelden fm enen loodlijnen in de pun-
ten g en d van de oppervlakten ff'b 2 en Wc Z, want het zijn halve mid-
dellijnen van den Iwl, waarvan die vlakken deelen uitmaken. Nemen wij nu
van den stralenkegel, die a naar de lens aftendt, slechts twee stralen, name-
lijk ad en a c, in aanmerking. De straal a c loodregt op de heide oppervlakten
vallende, gaat regt door naar a' en wordt niet gebroken. De straal a d evenwel
nadert in het glas de loodlijn en. Hoe deze nadering iu de figuur kan worden
aangewezen is vroeger bejiaald. De ten tweede male gebrokene en daardoor we-
der van de loodlijn in/verwijderde straal ga ontmoet den eersten in a\ en
in dat punt vereenigeu zich dus al de stralen van a uitgaande, mits zij, zoo
als gezegd is, niet te ver zich van de as ac verwijderen ; zal dus weder,
zoo als vroeger luj de behandeling der spiegels is aangewezen, het beeld van
a zijn. Lag het lichtgevend punt « niet juist op de lijn a b of op de «s der lins,