Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.361
tien, bij voortduring plaats heeft, zoodat de stralen als het ware gthogene lijnen
hesclirijven. Ook de bekende Fata Morgana berust op de luchtspiegeling.
Uit de breking der lichtstralen overtuigt men zich ook van de waarheid, dat
de voorwerpen, die in eene schuine rigting door een vensterglas worden waar-
genomen, niet juist daar liggen, waar meu ze meent te zien.
Zij om dit te bewijzen a 6 c (zie fig. 185) de doorsnede vaneen stuk glas;
Fi'f. 185. A een lichtgevend
punt, dat aan de an-
dere zijde van het
glas in O wordt
waargenomen.
Even als vroeger,
zullen wij weder
twee van de tallooze
lichtstralen, die van
A uitgaan, aan onze
beschouwing onder-
werpen. De licht-
straal A i buigt zich
in het glas naar de loodlijn ei toe, omdat bij in eene digtere middelstof komt.
In k echter verlaat bij weder het glas en verwijdert zich dus van de lowl-
liju h l zoodanig, dat AT o en A i evenwijdig aau elkander loopen. Eveneens is
zulks het geval met den straal A m, die bij het verlaten van het glas de rigting
u O verkrijgt. Verlengt men nu de beide stralen k O en n O, zoo snijden zij
elkander in a, en a is dus het beeld van A.
Gij ziet derhalve hieruit, dat dunne vensterruiten beter zijn dan dikke, zoo men
er door heen de ligchamen op hunne ware plaats wil waarnemen : want hoe dun-
ner het glas is, hoe korter de lijnen ik en mn worden, eu hoe nader de lijnen
a O bij Ai en Am zullen liggen. Men neme vooral uit de figuur ook waar,
dat, wanneer een lichtstraal door eene brekende middelstof gaat, welke door cvctï-
wijdige vlakken begrensd is, en daarna weder in de middelstof treedt, waardoor hij
lieh eerst bewoog, alsdan tijne rigtiyxg bij de uittrede evenwijdig zal zijn aan die,
welke hij bij de invalling had.
Hiermede staat de volgende waarheid in verband : Een lichtstraal g h, (zie
fig. 186) die door meerdere middelstoffen abdc en cdfe gegaan is, en weder in
de eerste middelstof terugkeert, verkrijgt eene rigting m p, evenwijdig aan de
vroegere rigting. De lijnen ik, ho en rs stellen de loodlijnen voor in de pun-
ten k, l en m.
Eene veel sterkere schijnbare verplaatsing dan fig. 185 voorstelt, doet zich
op, als men de lichtstralen, die van eeu ligchaam uitgaan, door middel van
een doorschijnend driehoekig prisma opvangt. Zulk een prisma verkrijgt men
door drie even groote, regthoekige stukken glas te nemeu, die met de langste