Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.360
I
dat de onderste luchtlagen, die, door deu aardbodem verhit, soortelijk ligter
worden dan de hooger gelegene koude lagen, desniettegenstaande in rust nabij
den grond blijven hangen, en niet, zooals gewoonlijk plaats heeft, naar boven
stijgen. Zij nu A (fig. 184) «en verheven voorwerp ; p de waarnemer. Dat deze
Fig. 184.

door de lichtstralen Ap, enz. die van het ligchaam afkomen, het onmiddellijk
gewaar wordt, behoeft geene verklaring. Het is waar, deze stralen zullen wei
niet door de ongelijke digtheid der luchtlagen in eene regte hjn Ap lot hem
komen, maar de afwijking zal te gering ziju, dan dat zij eene aanmerkelijke
schijnbare verplaatsing vau het ligchaam zal kunnen veroorzaken. Maar het
voorwerp zendt naar alle zijden stralen uit; onder deze zijn er, die den weg
Ailmnop volgen; want de straal ^ i in eeue dunnere luchtlaag komende,
wordt van de loodlijn afgebogen cn neemt den weg il aan; dit gaat loo
voort, de rigting wordt steeds schuiner, en eindelijk komt hij in eeue lucht-
laag, waar bij m eeue inwendige spiegeling plaats grijpt, evenals wij hij het
water waarnamen. De straal wordt derhalve teruggekaatst, plant zich voort
in de rigting mnop, en het oog neemt het beeld des voorwerps, zwt het
schijnt, beneden den grond in A waar. Gij begrijpt ligtelijk, dat de breking
der lichtstralen niet zoo ais in de figuur, maar op onmerkbaar kleine af»tau-