Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.358
Het kan nu niet moeijelijk vallen, te verklaren, waarom de voorwerpen,
die onder water liggen, en iu eene schuine rigting gezien worden, altijd
hooger schijnen geplaatst te ziju dau werkelijk het geval is; waarom men,
om een' visch met een' kogel, eene speer of een' harpoen te treffen, altijd be-
neden de plaats moet aanleggen of mikken, waar de visch schijnt te liggen;
waarom het deel van een vaartuig, dat onder water ligt, veel vlakker
schijnt te zijn, dan het wezciitlijk is. Zoudt gij door hetgeen over de in-
wendige spiegeling of terugkaatsing is gezegd, niet kunnen duidelijk maken,
waarom i mand, die onder water schuin naar boven ziet, niet de voorwerpen
gewaar wordt, die boven water liggen, maar wel die, welke op den bodem
vau het water gelegen zijn.
Al de hier vermelde waarheden kunnen op eene merkwaardige wijze door
proeven aanschouwelijk gemaakt worden. Daartoe make men zich een bakje
van 3 palm lengte en eene palm breedte en hoogte ; de beide langste zijwan-
den vervaardige men van helder glas, den bodem en de kleinste zijwanden van
hout; in elk dezer beide laatste bore meu een gat, en plaatse in ieder een
horologieglas het eene met de bolle het andere met de holle zijde naar
buiten. Zulk een bakje, vol water gedaan zijnde, is uitmuntend geschikt tot
het nemen van een aantal proeven. Een pypesteel, loodregt in dezen bak
overeind gehouden zijnde, vertoont, wanneer men hem door de zijwanden of
een der horologieglazen waarneemt, door breking of totale reflectie de zon-
derlingste eu merkwaardigste figuren ; indien meu een stuk geld op den bodera
tegen een" der glazen zijwanden legt, vermenigvuldigt het zich schijnbaar, enz.
Wy zullen in liei vervolg op de horologieglazen terugkomen.
In den dampkring doen zich vele verschijnselen op, die allen door de bre-
king der lichtstralen worden voortgebragt; de voornaamste van deze zullen
hier kortelijk vermeld worden.
Reedsvroeger is gezegd, datniet al de luchtlagen, waaruit onze dampkring
is zamengesteld, dezelfde digtheid hebben, maar dat zij doorgaans nabij de
aarde het digtste ziju. Wanneer dus de lichtstralen, die van de hcmelligchamen
afkomen, in onzen dampkring treden, worden zij, naarmate zij de oppervlak-
Fig. 183.
te der aarde meer naderen, te
meer van rigting veranderd. Stelt
a b (zie fig. 183) de oppervlakte
der aarde voor eu de lijnen c </,
cf, g k enz. de scheiding vau de
verschillende luchtlagen ; is A i
de rigting vau eenen lichtstraal,
zoo wordt deze in deu dampkring
steeds naar de loodlijn toegebo-
gen en zal dus achtereenvolgend
de rigtingen im, m n, n o en op