Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.337
waarneemC. Plaatst men tusschen de beide spi^els P en s i eene buis /i met
water gevuld, onder en boven door eene glazen plaat gesloten, zoo moet de
straal a n den dubbelen weg ni door het water, en de straal a r tweemalen den
weg rs door de lucht maken. Komt de eeue straal vroeger naar den spiegel
P terug dan dc andere, zoo zal in dat tijdsverschil de ligging des spiegels
door de snelle omdraaijing een weinig veranderd zijn, de beide lichtpunten
kunnen nu niet meer in eene horizontale hjn verschijnen, het eene lichtpunt
zal iets hooger oï lager liggen dan het andere Uit deze verschuiving der beel-
den, en de snelheid van de door een uurwerk geregelde en dus te metene
omdraaijing des spiegels, kan men de verhouding vinden tusschen de snelhe-
den, waarmede het licht den dubbelen weg in de lucht en in het water aflegt.
Fizeau en Breguet hebben bij hunne op dergelijke wijze ingerigte proetne-
mingen gevonden, dat de tijd, dien het licht behoeft, om eene slechts 2 me-
ters lange buis met water gevuld te doorloopen, aanmerkelijk grooter is dan
die, welken het in de lucht noodig heeft.
De behandelde waarheden verklaren een aantal verschijnselen, die zich da-
gelijks voor ons oog opdoen.
Het is eene bekende zaak, dat een regte stok of staaf, waarvan een gedeelte
onder water wordt gehouden, aau de oppervlakte van het water gebroken
schijnt. Hoe komt dit?
Zij A By fig. 182, de stok, van A tot a in het water liggende. Er gaan van
Fig. 182. het punt A weder een bundel licht-
stralen uit, die aan de oppervlakte
van het water gebroken worden, en
gedeeltelijk het oog,dat het voorwerp
waarneemt in het punt O, zullen
bereiken De plaats, waar die ge-
broken lichtstralen, na behoorlijke
verlenging, elkander snyden, zal
het beeld van het punt A zyn. Ne-
men wij onder die vele stralen er
weder slechts twee, A p en Ag.
Beide zullen bij het in de lucht
treden van hunnen oor.spronkehjken weg worden afgebogen, zich van de lood-
lijnen rs en tu verwijdeien, de rigting p O en g O aannemen en bij O in
het oog tretlen. Nogmaals zy het hier herinnerd, dat mfen zich door den
grooten afstand van O tot O niet moet lalen misleiden, want men kan de
stralen A p en A g en dus ook pO en ^ O op een' onbegrijfM lijk kleinen afstand
nemen De lichtstralen Op en Og, behoorlijk verlengd zijnde, ontmoeten elkan-
der in A'y en dit punt zal duM het beeld van A zijn. Hel spreekt van zelf, dat de
beelden van de overige punten des stoks tusschen «en A' zullen gelegen zijn,
waardoor A' a het beeld > an A a wordt en de stok in a moet gebroken schijnen.