Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
3o6
cihergolveii in het ligchaam, (Zie de verklaring van den echo.) Vallen nu de
lichtstralen loodregt op de grensvlakte van een ligchaam, zoo worden de gol-
ven gedeeltelijk evenwijdig aan de vlakte teruggekaatst, en gedeeltelijk gaan
zij ook evenwijdig aan die begrenzing, maar met eene mindere snelheid dan de
teruggekaatste, in het ligchaam voort. Valt de lichtstraal echter schuin op de
oppervlakte des ligchaams, dan kan er op eene meetkunstige wijze bewezen
worden, dat door de mindere snelheid der voortplanting de regte lijn, volgens
welke de ethergolven in het ligchaam voortgaan, een' kleineren hoek met de
loodlijn maakt, dan die, volgens welke de invallende golven zich voortplanten.
.Slechts door de wiskunde kau deze waarheid voldoende worden toegelicht, en
uit die toelichting blijkt dan ook, dat, bij hetzelfde brekend vermogen der stof,
de nadering tot of de verwijdering i'«« de loodlijn te minder wordt, naar mate de
invallingshoek kleiner is.
Dat werkelijk de snelheid des lichts in eene digtere stof, bijvb. in water,
niet zoo groot is als in de lucht, is door de volgende, door Arago voorgeslagen,
proef aangetoond.
Men laat twee evenwijdige lichtstralen a r en a n (zie fig. 181) door twee
Fig. 181.
naauwe spleten in eene
donkere kamer op ee-
nen spiegel P vallen,
die zoodanig geplaatst
is, dat hij ze naar een'
tweeden spiegel s i in
dier voege kan terug-
werpen, dat zij deren
loodregt treffen. Hier-
door zullen de stralen
langs denzelfden w^
terugkeeren, en een in
O geplaatst oog zal ze in de rigting O it en O r als twee lichtpunten waarne-
men. De spiegel P heeft echter geene onveranderlijke stelling, maar kan om
eene as vw, die loodregt op de rigting der stralen O n en O r staat, door mid-
del van het koord Q worden rondgevoerd. Wordt nu die §picgel gedurende
den tijd, waarin het licht den weg in heen en weder aflegt, een w.inigje
omgedraaid, dan zal het oog O de heide lichtpunten op eene iets hooger
of lager gelegene jjlaats des spiegels, al naar de rigting is, \ olgens welke de
draaijing geschiedt, waarnemen. Draait de spiegel P met eene buitengewone
snelheid. Injvoorb. 1000 maal in 1 seconde, dan kunnen telkenmale slechts dan
twee liehttUkkeringen in het oog komen, wanneer de spiegel weder inde boven-
aangenoniene stelling gekomen is. De indruk dezer UchlHikkeringen herhaalt
zich lOOtl maal in eene seconde, en het zul derhalve voor het oog zijn, als of
het tsvee lichipunteu in eene horizontale rigting op een' Milstaanden spiegel