Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Sol
Waarom is het beter tot verkrijging van beelden door middel van holle gebo-
gene spiegels dezulken te nemen, die tot een' grooten bol behooren ?
VIJFTIGSTE LES.
De breWng van hel licht in hel algemeen en die, welke
door sloflen, begrensd door platte vlakken, ontslaat.
In eene ledige kom ^ B (zie fig, 175) leg ge men een stuk geld a 6, en verwijdere
Fuj. 175.
zich zoo verre van de kom
tot haar rand de regtstreek-
sche lichtstralen a o en 6 o
verhindert in het oog o te
treden, met andere woor-
den, tot de rand het stuk
geld voor het oog verbergt.
Nu vuile men de kom met
water, verwijdere zich op
nieuw tot op den eersten af-
stand, eu men zal bemerken,
dat het stuk geld niet al-
leen in c zigtbaar is geworden, maar dat ook de kom eene mindere diepte
schijnt te hebben gekregen. Dit merkwaardige verschijnsel is een gevolg daar-
van, dat de lichtstralen 6 t en a t uit de eene middclstof (het water) in de
andere (de lucht) overgaande, van rigting worden veranderd. Deze verande-
ring noemt men breking van het licht of wel eenvoudig straalbreking.
Wij drukken de waargenomene eigenschap in het algemeen dus uit: indien
een lichtstraal uit eene doorschijnende middclstof in eene andere overgaat, die met
de eerste in digtheid verschilt, zoo wordt dc straal in die tweede middels tof van
rigting veranderd.
Zoo dus een lichtstraal uit water in lucht, uit lucht in glas, uit lucht in het
luchtledige of omgekeerd overgaat, zoo behoudt hij in beide zelfstandigheden
niet dezelfde rigting, maar wordt in de tweede van den weg, dien hij in de
eerste nam, afgebogen.
De stralen ai en b i' (zie fig. 175), die van het stuk geld ab afkomen, bc
reiken in i eu i' de oppervlakte van het water, daar wordt hunne rigting^
terwijl zij in de lucht treden, veranderd in to en i o. Zij kunnen alzoo het oog
in O bereiken, en dewijl wij de voorwerpen volgens regte lynen waarnemen,
moet het natuurlijk eveneens zijn, alsof men het stuk geld iu c zag liggen.
Indien nu a (zie fig. 176) de lijn is, die de eene middclstof van de andere
scheidt; c i een lichtstraal, die in i uit de eerste in de tweede treedt, en met
de loodhju li een' zekeren hoek lic maakt; ic de rigting, welke de straal iu