Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
336
waarom de beelden, door eenen spiegel voortgebragt, nooit zoo helder zijn als
de voorwerpen zeiven Hoe gladder echter eeu oppervlak is, des te meer licht
wordt er teruggekaatst. De hoeveelheid van teruggekaatst licht hangt, behalve
van de gladheid, ook nog af van de stof der ligchamen en van de rigting, in
welke het licht invalt. Hoe schuiner de lichtstralen, bij voorbeeld op kwik,
water, nn^t geslepen glas, enz. vallen, hoe meer licht er teruggekaatst wordt.
Bij de meeste witte stoffen neemt echter de sterkte van het teruggekaatste licht
toe, hoQ minder schuin de lichtstralen daarop vallen. Gepolijste metalen spiegels
schijnen bet meeste licht terug te kaatsen, en wel evenveel bij alle rigtingen,
waaronder het licht invalt. De sterkte of intensiteit van het licht, dat loodregt
teruggekaatst wordt door een' metalen spiegel, bedraagt ongeveer door kwik-
zilver door water door glas der kracht van het invallende licht.
Dat wij thans onderzoeken de wijze waarop en de plaats waar de beelden in
verschillende soorten van spiegels gevormd worden.
Men onderscbeidt hoofdzakelijk platte en gebogene spiegels. Om u eene voor-
stelling van gebogene spiegels te kunnen maken, zoo neemt twee horologie-
glazen en voorziet het eene aan de bolle en het andere aan de holle zijde met
een glanzend bekleet'sel, dan noemt men het eerste glas een' hollen, het tweede
een' bollen spiegel. De verandering van de kromming hunner oppervlakten
wijzigt ook het beeld, dat zij van een voorwerp vormen. Men kan in de spie-
gels zooveel verscheidenheid maken, als men verkiest; wij zullen achtereenvol-
gend slechts aan onze beschouwing onderwerpen de vlakke en bolvormige spie-
gels. Wij kunnen hierin niet met die naauwkeurigheid en juistheid te werk
gaan, die wij wenschen ; want, om van alle waarheden ten aanzien van de
terugkaatsing des lichts door spiegels grondig overtuigd te zijn, en om in te
zien, dat nadenken, berekening en proefneming in dezen met eene verwon-
derlijke naauwkeurigheid overeenstemmen, behoort men tamelijk bedreven in
de wiskunde te zijn. Dit moge tot aansporing verstrekken, om u zoo noodig
in deze schoone wetenschap te bekwamen.
Houdt men eenen stok voor een' spiegel, en wel evenwijdig aan dezen, dan
ligt het beeld van den stok insgelijks evenwijdig aan het vlak van den spiegel,
even ver achter dezen, als men den stok er voor houdt. Laat men dezen
eenigzins naar den spiegel overhellen, zoo verkrijgt ook het beeld eene hel-
lende rigting ten opzigte van den spiegel. Wij willen deze verschijnselen door
een paar teekeuingen verklaren. De volgeude redenering geldt voor beide figuren.
Zij y ff^'{zie fig. 160 eu 161) de doorsnede van eenen spiegel ; J B een ver-
licht voorwerp, b. v. een pijl, die zich voor den spiegel bevindt Trachten wij
nu eerst eens te bepalen, waar zich het punt A voor het oog zal vertoonen.
Mei kt vooraf op, dat van dit punt J, zooals van alle punten in J B, die allen
als lichtgevend kunnen worden aangezien, naar alle rigtingen lichtstralen uit-
gaan, waut het is in elke rigting zigtbaar. Eenige van deze stralen treffen het
oog, andere gaan er buiten. Verkrijgen nu de stralen, die in het oog treden.