Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ui
Verbeelden wij ons in het midden vaneen' hollen bol van twee palmen mid-
dellijn een lichtend punt, zoodat dit overal ecu'palm afstands van de biniien-
oppervl.tkte des bols heeft, dan zal die gebogene vlakte al het licht, dat van het
genoemde pinit afstraalt, ontvangen, blaken wij den bol grooter, geven wij hem
b. v. 4 palmen middellijn, waardoor het punt 2 palm afstands van het gebogene
vlak heeft, dat het omringt, d. i. dus dubbéld zoover als de eerste maal, zoo
zal ook deze binnenoppervhikte al het licht van het lichtgevende punt«ontvan-
geu. In het laatste g);val is de oi)pervlakte van den bol echter 4 zoo
groot als die vau rlen eersten, want de meetkunde leert ons, dat alle vlakken,
die gelijk van vorm zijn, tot elkancPer staan als de vierkanten der lijnen, die
er op eene gelijkstandige wijze ingetrokken worden. DezelfUe hoeveelheid licht
heeft zich in den tweeden bol dus over eene grootere uitgebreidheid ver-
spreid dan in den eersren ; dc sterkte van het licht moet dan ook op het bin»
nenvlak van dezen grooten bol, waarvan het lichtgevende punt 2 palm verwij-
derd is, 4nia:d zwakker zijn dan die op het \lakvan den kleinen, waarvan de
lit htbron 1 palm afstands heeft. Hadden wij nu het licht 3 palm ver verwijderd
van het binnenvlak des bols, door hem eene middellijn van 6 palm te geven, zoo
zou het licht Omaal zwakker zijn geworden, cn wij zijn dus tot de merkwaar-
dige wt-t geraakt: de slerkle van het licht neemt in die verhouding af, waarin het
vierkant van den afstand toeneemt,
ICen voorbeeld zal het gestchle nog nader ophelderen. Indien iemand eerstop
\ palm afstiinds vau een licht een blad papier houdt, en hij plaatst dit vervol- I
gens twee palm verder, dus 6 palm van het licht af, zoo zal het blad in het |
laatste geval 2^ maal minder licht ontvangen dan in het eerste; want 16 is het
vierkant van 4 en 36 het vierkant van 6; het vierkant van den afstand is dus
2j. maal grooter geworden, omdat 16, 2^ maal in 36 begrepen is, en bijgevolg
)s de lichtsterkte 2^ maal verzwakt. Als men vier even helder brandende kaar-
sen op twee el afstands van een voorwerp plaatst, zoo zal dit evenveel verlicht
Zijn als door eene kaars op eene el afstands.
Met is duidelijk, dat niet alleen van den afstand de sterkte van het licht kan
afliangeu. ff'ordt namelijk de middelstoj, dat is de stof, waardoor liet licht zich
\er^)reidt, minder doorschtjnend of doorzigtig, zoo zal ook het licht zwakker wor-
den. Plaatst men tusschen het lichtgevend ligchaam en het verlichte voorwerp
een stuk glas dan ziet men aanstonds het licht verzwakken. Vermeerdert men de
gla/en platen, het licht neemt voortdurend af. Hoe doorschijnend de lucht ook
m(»ge zijn, zij verzwakt toch aanmerkelijk het licht der zon en der sterren,
want de dampkring is eene scer«-/M-Ae luchtlaag. Dit levert zelfs een groot be-
zwaar bij sterrekundige waarnemingen op.
Wanneer de lichtstralen loodregt op eene vlakte vallen, zat deze veel sterker verlicht
zijn, dan indien zij schuin door de straten wordt getroffen. Dit wordt bevestigd,
zot» men een wit boni neemt, het eerst loodregt tegenover de zon plaatst, en
het vervolgens in eenen schuinen stand door de zon laat beschijnen. Het bewijs