Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
325
verzekering te erlangen, dat zij volgens regte lijnen werken. Daarom kan men
door eene lange, naauwe, van ondoorschijnende stof gemaakte buis, die slechts
eenigzins gebogen is, niet zien; daarom vindt men onder de honderd goudsche
tabakspijpen er naauwelijks eene, waardoor men kan heenzien. De werktuigen,
besterad tot het doen van sterrekundige waarnemingen, het opmeten van eene
vlakte, het verkrijgen van waterpasse- of horizontale lijnen en zooveel andere
verrigtingen meer berusten alleen op de waarheid : het licht straalt volgens regte
lijnen. Op haar berust ook het ontstaan van de schaduwen. Ligt namelijk een
ondoorschijnend voorwerp iu de regte lijn tusschen een lichtend punt en een
daardoor verlicht ligchaam, dan zal er op dit laatste eene duistere plaats ont-
staan, dewijl het ondoorschijnende, tusschen gelegene ligchaam de lichtstralen
onderschept; deze duistere plaats noemt men schaduw. Door een' lichtstraal
verstaat men de regte lijn, volgens welke het licht zich voortplant. Is a (fig.
139» bladz. 284) ^en lichtend punt, dan is a d een lichtstraal. Er is dus over-
eenkomst tusschen licht- en gehiidstralen.
Indien het lichtend ligchaam geen punt is, maar eene vrij groote uitgebreid-
heid heeft, dan ontstaat er achter het ondoorschijnende voorwerp, en wel juist
rondom het punt, dat tegen over het middelpunt der lichtbron ligt, eene
donkere schaduw, hernschaduw genoemd, omdat daar geene enkele plaats is,
die het licht oinniddelhjk ontvangt; rondom de kernschaduw evenwel liggen
plaatsen, die van eenige punten der lichtbron verlicht worden; deze geza-
menlijke plaatsen noemt men halfschaduw. Om deze reden ziet men dan ook de
schaduwen der door het zonnelicht beschenen voorwerpen zacht uitvloeijen
eu niet scherp begrensd.
Men kan ook door het verklaarde gemakkelijk de oorzaak vinden van dc
verschillende vormen der schaduwen van een en hetzelfde ligchaam, al naar-
mate dit ligchaam zelf tot het vlak, waarop de schaduw valt, eene andere
stelling heeft, '
Wij hebben alzoo gezien, dat het licht volgens regte lijnen straalt, en dat
de trillingen, door de lichtstof daargesteld, zich in den ether al verder en
verder verspreiden even als de geluidsgolven. Het kan wel niet anders of het
licht heeft tijd noodig tot voortplanting of verspreiding dier trillingen of ethergol-
vingen. De snelheid, waarmede dit geschiedt, is schier ongeloofelijk, want wij
kunnen er ons geen denkbeeld van vormen. Het licht doorloopt namelijk in ééne
seconde eenen weg van 41500 duitsche of geographische mijlen of 53000 uren
gaans. Maar hoe is het mogelijk, om zulk eene snelheid na tc sporen? Inderdaad,
wanneer men deze waarheid voor dc eerste maal hoort voordragen, voert zij
onze verwondering ten top. Er is er intusschen niet eene, die meer zekerheid
heeft ontvangen dan zij. Die waarheid toch is langs drie zeer uiteenloopende
wegen onderzocht, en de overeenstemming der einduitkomsten is eene der
treffendste en schoonste, welke geheel in aard verschillende waarnemingen immer
gegeven hebben of geven zullen.