Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
318
regts aau liet boveneinde der luchtpijp of, beter gezegd, in het strottenhoofd zijn
gelegen. Alzoo zou dan, volgeus sommigen, het menschelijke stem-orgaan eeni-
germate op de werking van eene orgelpijp gelijken. De long, die de lucht uit-
drijft, en waarin de luchtpijp met twee takken eindigt, zou dan de plaats van
den blaasbalg vervangeu, de luchtpijp die van het onderste gedeelte van het
mondstuk, de stemvliezen die van de tong of het dunne me taal blaadje, en einde-
lijk de mondholte de plaats van het bovengedeelte of van den romp der pijp. De
spleet tusschen de stemhuidjes kan zich vernaauwen of verwijden, en de huidjes
kunnen zich ook meer of minder sterk spannen. Van deze beweging hangt het
aantal en de aard der trillingen dier vliezen, en dus ook het verschil in toon-
hoogte der slem af. De genoemde vliezen hebben niet bij alle meuschen dezelfde
lengte. Bij kinderen en vrouwen zijn zij wel de helft korter dan bij mannen.
Ziedaar de reden misschien, waarom mannen doorgaans een octaaf lager spre-
ken en zingen dan vrouwen en kinderen. De stemvliezen van de mannen ma-
ken gewoonlijk bij den laagsten toon 396 trillingen in de seconde; hierdoor
ontstaat, zoo als gij zelf kunt berekenen, de g, een octaaf lager liggende dan die,
welke onmiddellijk op de a der stemvork volgt. De hoogste toon, die de stem
van de vrouwen gewoonlijk voortbrengt, vordert 2112 trillingen iu elke seconde,
cr geeft dan de c aan, een octaaf hooger dan die, welke op de a der stemvork volgt.
De stem der mannen en vrouwen omvat dus in het algemeen twee en een halfoctaaf.
Dc vogels hebben de werktuigen tot voorbrenging van geluiden niet zoo als
de mensch boven, in de nabijheid van de keel, maar onder aan de luchtpijp;
men vindt aldaar eene zeer zamengestelde, wondervolle, schoone inrigting, die
het vermogen bezit, om eene menigte hooge en lage toonen te doen hooren.
Niet minder kunstig en doelmatig dan het stem-werktuig is het gehoor-orgaan
gevormd, volmaakt geschikt, om elke trilling der lucht op te vangen en haar
Fig. 153.
aan de gehoorzenuwen mede te deelen.
Het eenige uitwendige deel van het
oor is de schelp a (fig. 153). Deze
maakt eigentlijk het uiteinde uit van
den gehoorweg b. Dit uitwendige deel
is bestemd om de geluidsgolven in me-
nigte op te vangen, ze meer te ver-
eenigen en daania in den gehoorgang
te geleiden. Dat de vorm van het uit-
wendige oor daartoe uitmuntend ge-
schikt is, behoeft naauwelijks aange-
wezen te worden. Bij de meeste dieren
is het oor beweegbaar, zoodat zij het
naar dien kant kunnen rigten, van
waar het geluid komt. Sommigen be-
weren, dat de Schepper ook oorspron-