Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
813
tfejjeh nluren, bergen of den zoom van een woud, zoo is doorgaaüs hare kracht
of snellieid te gering, om deze voorwerpéil in l)eweging te brengen; daar nu
geene beweging kan verloren gaan, zoo worden die golven dus teruggeworpen
en nemen den tegenoverges tel den weg aan. Komt het geluid uit eene dikkere
in éene duuUere stof, dan kan deze laatste de kracht of snelheid der trillingen
liiet geheel oVernemen, en geeft derhalve een gedeelte aau de eerste middenstof
terug, waardoor het zoo evengenoemde vérschijnsel ook in dat geval volgt. Uit
dit eeti en ander heshtitert wij : hoe harder en gladder de opfiervlakte is, waartegen
de geluidsgolven sinitcny hoe zuiverder tij zullen woi'den teruggekaatst. Water, ijs,
gladde rotskanten en dergelijke weérkaatSPu het geluid getrouw. Hieruit is we-
der gemakkelijk af te leiden, waarom hel oppervlak van water of ijs zoo uitne-
mend geschikt is, om geluiden zeer verre voort te planten; waarom de geluiden,
buiten onze woning ontstaande, worden verzwakt, wanneer des winters de stra-
te« met sneeuw bedekt ziju, en waarom men uit het al of niet sterk klinken van
eenen voorbij rijdenden wagen met eenigen grond kan bepalen of het sterk vriest.
Gij ziet al verder uit hel bovenstaande hoe het mogelijk kan zijn, dat de wolken
op zee niet zelden eene echo vormen, en dat de stem zich gewoonlijk des nachts
verder verspreidt dan des daags: immers belemmeren des nachts geene veelvul-
dige uitwasemingen en geen verschil van warmte der onderscheidene luchtlagen
den voortgang der geiuidstrillingen ? — Dat hieraan de stille van den nacht
ook een groot aandeel heeft, behoeft naauwelijks te wordeu gezegd.
Bezien wij het ontstaan van de echo nog wat nader!
Hoe ook de terugkaatsing van het geluid moge plaats hebben, altijd zal de
rigting van den teruggekaatsten geluidsstraal {zie h\a(\z. 5) met het oppervlak van
het terugkaatsende ligchaam eenen hoek maken, die gelijk is aan den hoek, welken
er de invallende geluidsstraal mede maakte.
Zeker heeft ieder nu en dan ondervonden, dat het bij het ontstaan van een
geluid somtijds schijnt, alsof het uit eene geheel andere streek komt, dan waar-
in de geluidsbron ligt. De verklaring van dit verschijnsel vindt men in hetgeen
vroeger over het terugkaatsen van den bal op bladz. 64 is gezegd. Indien de bal
(zie fig. 21) van het punt B naar ƒ wordt teruggekaatst, is het, alsof hij zich in
eene geheel andere rigting bewoog dan die, waarin hij geworpen is. Nu geldt
ook bij het geluid de regel, dieu wij daar ter plaatse opgaven : de hoek van inval-
ling is gelijk aan den hoek van terugkaatsing. Indien derhalve o o (fig. 151) de op-
per\lakte van het water of van eenen muur
p voorstelt, en een geluidsstraal valt iu de rig-
ting i'rop deze vlakte, zoo zal hij in de rig-
ting r t worden teruggekaatst, eo wel zooda-
nig, dat de hoek van invalling t r;? gelijk is
aau den hoek van terugkaatsing t r p. Bevond
meu zich nu in t, dan zou het ons toeschij-
nen alsof de geluidsbron, die in i'ligt, in de rigting t r lage. Vallen de ge-