Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Beschouwen wij de bewerktuigde schepping, dan ontmoeten wij nog treffender
bewijzen voor de kleinheid der atomen. Ken groot natuurkundige, onze beroemde
landgenoot Leeuwenhoek, ontdekte in den jare 1660 of daaromtrent, dat het
bloed van menschen en dieren zijne roode kleur is verschuldigd aan kleine, roode
lelletjes, die in een zeker vocht, bloedwater genaamd, drijven. Volgens zijne
waarnemingen zijndeze bolletjes niet bij alle wezens ge/ijk van grootte en gedaante,
en bij menschen zoo klein, dat een millioen er van te zamen genomen eenen
bloeddruppel vormen, die niet gi'ooter is dan een gewone speldeknop. Diezelfde
natuurkundige ontdekte in eenen druppel waterdiertjes, bekend onder den naam
van infusie-diertjes, waarvan er verscheidene duizenden naauwelijks de grootte
van eenen zandkorrel uitmaken. Verbeeldt u eens (jammer dat de beroemde ont-
dekker door zijne nog onvolkomene gezigtkundige werktuigen dit niet heeft mo-
gen zien!), dat die diertjes nog ledematen hebben, hoewel onvolkomen, toch
bewerktuigd zijn, dat zij elkander verslinden, enz. dan schiet ons voorstellings-
vermogen te kort, om de lijnheid der vaste stofdeeltjes eenigzins te l>eseffen; dan
verliezen wij ons in de oneindige magt des Scheppers.
Het nut, dat de zich zoo ver uitstrekkende deelbaarheid der stof den mensch
aanbrengt, is onmiskenbaar. Men hebbe slechts aan vergulders, verwers, goud-
en zilverdraadtnïkkers te denken. Ook moogt gij niet over het hoofd zien de
voordeden, die zulk eene verdeeling der geneesmiddelen ons aanbrengt.
Toepassing en.
Wanneer gij weet, dat de reuk alleen ontstaat door de uitwaseming of vervlug-
tiging der geur gevende stof, pleit dan het volgende insgelijks voorde kleinheid
der atomen en waarom?
Een hond vindt het spoor zijns meesters, ook dan nog, wanneer er op den
grond niet de geringste afdruk \au diens voeten te ontdekken is.
De gier ontdekt op 2 uren afstands zijn aas, het een of ander dier, dat reeds
aan bederf onderworpen is.
Een stukje muskus, een kostbaar geneesmiddel, dat ons door een klein vier-
voetig dier in Midden-Azië wordt geschonken, verspreidt door eene geheele ka-
mer, weken, maanden, ja jaren lang, den sterksten geur, zonder daarbij naauwe-
lijks iets aan gewigt te verliezen.
Zou door het vaststellen, dat de ligchamen uit atomen zijn zamengesteld, de
ondoordringbaarheid zich niet meerder ophelderen? —
Waarom is het volkomen waar, dat noch verbranden, noch smelten, noch
drukken, noch slaan, of wat dan ook, een enkel ligchaam, hoe klein, vernieti-
gen kan.