Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
306
Tot hiertoe hehhen wij alleen door de trilling of slingering van vaste ligcha-
men geluiden opgewekt. Dat evenwel ook de lucht, in trilling gebragt zijnde,
geluiden kan voortbrengen, hiervan heeft u de werking der sirene overtuigd.
Ten einde door de luchtgolving toonen te doen ontstaan, is altyd echter de
medewerking van vaste ligchamen noodzakelijk. Alle soorten van blaasinstru-
menten, als : fluiten, hobo's, fagotten, waldhorens, trompetten, orgelpijpen, enz.,
zijn werktuigen, welke dienen om op verschillende wyzen de lucht in beweging
te brengen ; en dat hier de toon werkelijk niet wordt voortgebragt door de tril-
ling der vaste stof zelve, blijkt ten klaarste, wanneer wij op eene fluit blazen en
baar op verschillende plaatsen met de hand aanraken: deze aanraking zal gee-
nen iu vloed hebben op den toon. Wat dit integendeel bij snaren te weeg brengt,
is u gezegd.
Ook aangaande deze soort van geluiden zijn door Savart en anderen, tallooze
proefnemingen in het werk gesteld. Zij hebben de navolgende waarheden aan
het licht gebragt : —
De hoogte van een' toon, door de in buizen tot trilling gebragte lucht ver- i
oorzaakt, hangt hoofdzakelijk af van de afmeting, den warmtegraad, en den aard :
der slingering van dé luchtkolom, en niet van de stof, waaruit de buis is ge-
maakt. Wij hebben reeds aangewezen, hoe de lucht in opene en geslotene pijpen f
tot staande slingeringen kan geraken. Hoe korter de buis is en hoe grooter de ;
uitzettingskracht der lucht, des te hooger is de toon. Ingeval alle overige omstan- •
digheden gelijk zijn, verhouden zich de grondtoonen o( de laagste toon, die ver- r
schillende pijpen kunnen voortbrengen, tot elkander als de lengte dier pijpen.
Wilde men dus met verschillende pijpen de geheele toonladder maken, men
zou dan de lengte der 8 pijpen tot elkander moeten doen staan als de getallen
1» h X' I» TZ Ij ^ü hebben deze getallen reeds bij de snaren leeren !
kennen. De grondtoonen, welke deze pijpen zouden tot stand brengen, zouden |
echter niet zuiver zyn, uithoofde van de zamengestelde bewegingen, die de lucht- j
kolom bij den mond ondergaat.
Op grond van dit een en ander heeft men by blaasinstrumenten, zooals flui- i
ten, hobo's, klephorens, enz. openingen op zijde aangebragt; want door het j
openen dier gaten is het als of de buis korter, door het sluiten of zij langer ;
wordt gemaakt; bij het sluiten der gaten wordt dus ook de toon lager. Nc^ i
ziet men uit het bovenstaande, waarom de toon in warme lucht hooger is dan i
in koude, en waarom hij zich ouder het blazen verhoogt. Dat verder de.aard
der slingering of trilling ook de hoogte van den toon bepaalt, bewijst de om-
standigheid, dat, met behoud van dezelfde lengte der buis, een sterker blazen i
genoeg is, om den toon hooger te doen worden.
Het verdient vooral vermelding, dat de grondtoon van eene aan het eind geslo-
tene en die van eene opene pijp van dezelfde lengte altijd een octaaf verschillen; de
eerste c gevende, heeft de laatste de een octaaf hooger liggende c tot grondtoon. ;
Wen schrijft dit daaraan toe, dat bij de opene pijp iu het midden der lengte j