Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
291
recr gocil dm toon hooren kan, die slechts door 7 tot 8 trillingen in de seconde
wordt voortgebragt en ook nog dien, welke 48000 trillingen in eene seconde
maakt. liet verrast, wanneer men voor de eerste maal verneemt, dat men zulk
oen verbazend groot aantal trillingen in elke seconde heeft kunnen tellen. Alvo-
rens aan te wijzen hoe dit geschiedt, moeten wij eerst verklaren, wat men door
een' toon verstaat.
Men noemt zoo bij uitnemendheid de geluiden, indien hunne hoogte en diepte oJ
laagte kan bepaald worden. Zeer waarschijnlijk brengen alleen regelmatige slin-
geringen, dat zijn dezulken, die elkander in achtereenvolgende gelijke tijddeele^
even sterk opvolgen, toonen voort; zij maken doorgaans eenen aan gen amen in-
druk op ons. Onregelmatige slingeringen echter doen minder aangename gelui-
den ontstaan, welke men meer geruisch noemt, dat naar zijnen aard onderschei-
den wordt in geknars, geratel, gekraak, gepiep, gemurmel, gerammel, enz. Wij
zuilen ons alleen met de beschouwing der aangename geluiden, met het ontstaan
van toonen onledig houden.
Men onderscheidt bij de toonen voornamelijk drie zaken : namelijk hunne
sterkte, hunnen aard en hunne hoogte. De eerste hangt vau de slingerwijdte
der luchtdeelen af, dat is vau deu afstand waartusschen de luchtdeelen zich bij
dc verdigtingen en verdunningen der lucht heen en weder bewegen. Hoe grooter
dus dc slingerwijdtc van het toongevende ligchaam is, des te sterker is de toon.
Door middel der omliggende stoffen kan de toon zeer versterkt worden, waar-
over wij later nog het een en ander zullen zeggen.
De aard of liever dc klank van den toon, vloeit waarschijnlijk voort uit den
graad van regelmatigheid der trilling, de meerdere of mindere vastheid der stof,
waaruit het geluidgevende ligchaam bestaat, cn bovendien uit vele nog onbe-
kende oorzaken. Ons gehoor is bovenmate scherp in het onderscheiden vau den
aard des toons : verschillende muzijkinstrumenten zullen denzelfden toon doen
hooren, eu toch weten wij dieu van elk instrument te ouderscheiden. Eenige
menschen zullen hetzelfde gezang zingen, eu wij herkennen niet te min elks stem.
De oorzaak van het verschil in hoogte der toonen ligt, volgens gedane waar-
nemingen, in het verschil in lengte der luchtgolvingen, dat wil met andere
woorden zeggen, in het aantal trillingen, die het geluiilgevende ligchaam iu ééne
seconde maakt. — Het is dit laatste punt vooral, dat wij eenigzins uitvoerig wil-
len behandelen.
Zeer opmerkelijk is al aanstonds de wet, dat alle toonen ir t gelijke snelheid door
de lucht worden voortgeplant. Dit blijkt duidehjk, indien eenige toonkunstenaars
een muzijkstuk uitvoeren op eenen aanmerkehjken afstand van ons : men ver-
neemt alsdan de hooge en lage, sterke en zwakke toonen, en die van elk instru-
ment iu het bijzonder op den vereischten tijd. Ware dit zoo niet, kwamen bij
voorbeeld lage toonen eerder tot het oor dan hooge, of omgekeerd, dan zou de
welluidendste muzijk op eenigen afstand de onverdragelijkste wanklanken ver-
oorzaken.