Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
Fiy. 1.
A
zamenslelliiig van de ligcliamen, vooral van de wijze waarop de kristallen onl"
staan, hebbende natuurkinidigen niet te min doen aannemen, dat er eens een
eind aan die verdeel ing komen moet, dat er een grens voor bestaat. Ken maal
moet men dus stuiten op deeltjes, die niet meer kunnen gescheiden worden, die
ondeelbaar zijn, en die men derhalve moet beschouwen als vaste stof, eene stof,
die tot de eerste zamenstelling van het ligcha'im heeft gediend, die er het aan-
zijn aan geeH, en daarom eerste deeltjes, of met een vreemd en algemeen aange-
nomen woord, atomen genoemd worden. Eene verzameling van atomen noemt
men ook wel molecule, en men neemt dan aan, dat elk ligchaam uit moleculen
bestaat. Moleculen zijn dan alzoo de oneindig kleine deeltjes, waaruit eeii lig-
chaam is zamengesteld en die dan gelijksoortig zijn met het ligchaam waarvan
het deeltjes zijn. De atomen zijn dan in zoo verre van de moleculen onderschei-
den, als men door de eerste alleen de grondstoffen verstaat, die het ligchaam uit-
maken, door du laatste ook wel zamcngestelde stoffen. Later zal u dit duidelijker
worden.
Dat de atomen ondenkbaar klein moeten zijn, kan uit het volgende zeer duide-
lijk blijken.
Men neemt eene tamelijke fijne, glazen buisy/ö (zie fig. 1); Buizen
zijn niets anders dan pijpen, en zijn gemaakt van glas, hout, ijzer of
iets dergelijks, zij zijn meestal rond, en dienen doorgaans omvloei-
stoffen van de eene naar de andere plaats te leiden. Eene kagchelpijp,
een geweerroer, de gaspijpen, die door de straten en in de huizen
worden gelegd, ook de steel eener gewone aarden tabakspijp, zijn
buizen. Zijn zij zeer dun, en derhalve voorzien van eene kleine, haar-
fijne opening, dan noemt men ze luiarbuizen. Is eene buis niet zeer
lang en van eene tamelijk wijde opening voorzien, dan noemt men
M haar ook wel hollen cilinder. Een cilinder namelijk is een rolvormig
ligchaam, dat op alle plaatsen even dik is; eene waskaars, een ronde
balk, die op alle plaatsen gelijke dikte heeft, zijn cilinders; ligchamen, die zulk
eene gedaante hebben, noemt men cilindervormig.
Het midden van genoemde glazen buis houdt men in de vlam van een sterk
brandend licht zoolang, tot het glas wit gloeijend is geworden. Wanneer men
nu aan de beide einden trekt en die snel van elkander verwijdert, ontstaat er
in het midden een draad, wel van eenen vadem lengte, die, bekoeld zijnde, zoo
fijn en buigzaam is als zijde. Deze dunne glasdraad heeft nog altijd eene ope
ning; de wantl dier opening bevat nog steeds de bestanddeelen van het glas, zoo
als zand, potasch, kalk, enz. Door die haarfijne opening kunnen nu zelfs nog
vloeistoffen gevoerd worden; de vloeistof bevat weder ontelbare atomen^ over-
tuigt dit ons niet, dat de atomen ondenkbaar klein moeten zijn.
IS'eemt een weinig water, waarin groene zeep is opgelost, en maakt eene
zeepbel. De fraaiste kleuren ziet gij er in ontstaan. —Door middel van deze
bepaaltle een groot natuurkundige, de engelschman Newton, de dikte van het