Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
282
rich al verder cn verder, even als men dit bij het water opmerkt, wanneer er een
steen wordt ingeworpen, en doen eindelijk een dnn vlies, dat zich in het oor be-
vindt, en welks plaats nader zal worden omschreven, insgelijks die slingerende
beweging ondergaan. Trilling is dus de oorzaak van het ontstaan, en de lucht
het middel ter waarneming dier tallooze geluiden, zonder welke ons leven de
meeste bekoorlijkheid zoude moeten derven. De lucht is derhalve de gewone
overbrengster, de geleidster van de geluiden. De volgende proef bewijst de waar-
heid dezer stelling.
Door den ontvanger der luchtpomp is boven in a (zie fig. 138) luchtdigt slui-
Fig. 138. tende een metalen staafje a b beweegbaar, dat aan het
einde b van een dwarsstaaQe g is voorzien. Onder den
ontvanger plaatst men een schelletje c, hangende aan
eene as d e. De as heeft insgelijks een dwarsstaafje ƒ,
dat, bij het omdraaijen der stang a b, door b g wordt
aangeraakt en weggcstooten. Die beweging doet de schel
aanslaan en men verneemt zeer goed het geluid, terwijl
de lucht zich nog onder de klok bevindt. Nu pompt men
de lucht weg, beweegt de schel op de voorschrevene
wijze, en men hoort volstrekt geen geluid meer; want
er bevindt zich rondom het geluidgevende ligchaam,
geene lucht, die de trillingen kan overbrengen. Men
laat nu een weinig lucht tot den ontvanger toe, beweegt
de schel op nieuw, en men hoort een zwak geluid. Naarmate er meer lucht wordt
ingelaten, wordt het geluid sterker. Kan er krachtiger bewijs voor de waarheid
van het gestelde worden g^even? De schel rust op een kussentje /i, opdat hare
trillingen zich niet aan de plaat en den ontvanger der luchtpomp zouden mede-
deelen. Men kan het verschijnsel door eene geheel geslotene klok minder omslagtig
voortbrengen, indien men er eenedoos, van een speelwerk voorzien, of een slaand
'uurwerkje onder plaatst. Ziedaar een bewijs, hoe nuttig het is, dat de ligchamen
van alle zijden doorlucht zijn omgeven. Kon er eene stof geschikter dan zij ter
geleiding van het geluid bestaan? — Zij vult elke ledige ruimte, dringt in de
kleinste holligheden, en brengt daardoor het oor altijd als onmiddellijk met de
ligchamen in aanraking, zij bevat dus, behalve de grondstof tot onderhoud vau
het leven, nog eene andere weldaad : zij is de overbrengster der taal en der denk- I
beelden en bevordert de gezelligheid en beschaving.
De oorzaak der waarneming van eenig geluid, zeiden wij, ligt in de trillingen
van ons gehoorwerktuig, welke trillingen gevolgen zijn van de beweging, die de
lucht door het geluidgevende ligchaam ondergaat. Hoedanig die beweging ge-
schiedt, zullen wij duidelijk trachten te maken.
Laat ab (zie fig. 139) eene gespannen snaar voorstellen. Indien men deze in
bet midden c tusschen de vingers neemt, en haar in de stelling ad b brengt, zal
zij oogenblikkelijk haren vorigcn stand willen hernemen, indien men haar los-