Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
Wanneer men eene kist of eenen koffer bovenmate bezwaart, en deze bezwijkt
onder dien last, is dan de ruimte, die hij besloeg, niet grootendeels door den
last ingenomen? — *
Strijdt het boren en het indrijven van spijkers in hout niet tegen de ondoor-
iringbaarheid?
DERDE LES.
De deelbaarheid der ligchamen.
Hier ligt een stuk krijt; het is een deel van een grooter. Dit grooter stuk
was dus deelbaar, en gij twijfelt er niet aan, of dit kleine kan evenzeer in stuk-
ken worden geslagen. De tafel is gemaakt van hout, dus van de deelen eens
booms, llout is derhalve deelbaar. Maar waartoe zal ik voortgaan! Geene ei-
genschap is zeker meer algemeen bekend dan de deelbaarheid, leder weet, dat
men de ligchamen in stukken kan scheiden. Hout, ijzer, steen, en de voorwer-
pen daarvan vervaardigd, zijn allen deelen van grootere brokken, en deze we-
derom van nog grootere.
Wat wij bij elk ligchaam, dat onder ons bereik ligt, te dezen aanzien waar-
nemen, bestaat ook bij alle andere. Nog niet eene stof beeft men ontdekt, die
niet in deelen kan gescheiden worden. De diamant, het hardste der tot nog
toe bekende ligchamen, wordt tot stof verbroken, en met dit stof zijne eigene
oppervlakte gepolijst, dat is, ongemeen glad en glanzig gemaakt.
Maar er valt meer van deze eigenschap te zeggen, dan dat zij werkelijk alge-
meen is. — Al aanstonds komt de vraag in ons op: hoe ver kan men de verdee-
ling der ligchamen wel voortzetten; stuit men eenmaal op deelen, die niet meer
deelbaar zijn, of gaat de verdeeling tot in het oneindige voort ? Bezien wij
van deze zijde de zaak wat nader !
Men kan de voorwerpen op twee verschillende wijzen verdeelen. Klieft men,
een stukje broodsuiker met een of ander werktuig aan kleinere stukken, stampt
men in den vijzel kaneel tot een fijn poeder dan heet dit eene werktuigelijke ver-
deeling, zulk eene, waarbij de stukken altijd gelijksoortig blijven aan het geheet.
Hoever men toch hiermede voortgaat, de steeds kleiner wordende deelen blij-
ven suiker of kaneel. Verbrandt men turf tot asch, dan is de turf scheikundig
verdeeld, verdeeld op eene wijze, welke niet meer toestaat uit de deelen de stof, die
verdeeld is, onmlddelijk te onderkennen. Wie kan uit asch en roet, die de turf
heeft achtergelaten den turf al aajistonds terugvinden? — Beide genoemde wij-
zen van verdeelen hebben den mensch tot het besluit gebragt, dat de grens der
deelbaarheid niet kan bepaald worden, om dat ons gevoel niet fijn, ons gezigt,
zelfs met behulp van de volmaaktste ^ erg^ootglazen, niet scherp genoeg is, om
die verdeeling ten einde te brengen, daar de deeltjes ten laatste zoo klein wor-
den, dat zij aan hand en oog ontsnappen. Nadenken en het onderzoek naar de