Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
270
len stroomt. Heeft men door proefneming bevonden, dat de uitvloeijingssneU
beid voor eene lange buis slechts half zoo groot is, als men volgens de druk-
hoogte der vloeistof zou verwachten, dan is de helft dier drukhoogte gebruikt,
om de wrijving in de buis te overwinnen. Door die wrijving ontstaat er druk-
king op de wanden der buis, en deze zal niet overal even groot zijn, maar min-
der worden, naarmate men nader bij het einde der buis komt, waardoor de
uitstrooming plaats grijpt. Voor het overige is, wanneer men de tegenstandbie-
ding voor eene buis van eene zekere lengte 1 noemt: 1® die voor eene twee- of
driemaal langere buis, twee-of driemaal zoo groot; 2o heeft de buis slechts de
helft der wijdte, dan is ook de wrijving 2maal zoo groot; 3° is de snelheid van
het uitstroomende vocht 4» 16 enz. maal zoo groot, dan zal de wrijving of
tegenstandbieding der buis 2, 3 of zoo groot zijn; 4° krommer de
buizen zijn hoe grooter de tegenstandbieding is.
Wij hebben reeds bij het rad van Segner doen zien, dat stroomend water betoe-
ging kan voortbrengen. Somtijds laat men daartoe het water boven op borden
vallen, die op een rad zijn bevestigd; hierdoor worden zulke raderen rondge-
voerd en brengen werktuigen in beweging. Ook stroomt het water wel eens
onder tegen de borden van het rad en daardoor wordt dergelijke uitwerking
verkregen. De eerste soort van werktuigen noemt men bovenslags- de laatste
ondcrslags-raderen. Zulke watermolens vindt men alleen daar, waar men het wa-
ter van zekere hoogte kan doen afdalen, ten einde alzoo een sterken stroom te
verkrijgen. Bij de berekening van de door deze werktuigen voortgebragte hoe-
veelheid van beweging speelt natuurlijk weder de snelheiden derhalve de uit-
drukking V 2 g h eene voorname rol. Gewoonhjk stelt men den stoot des
waters gehjk aan het gewigt eener waterkolom, die de gestooten wordende
vlakte tot grondvlakte heeft en tot hoogte den afstand, door welken het water
vry vallen moet om de snelheid te verkrygen, waarmede het de vlakte treft.
Kr zijn nog een aantal andere waterwerktuigen, maar daar dit onderwerp
meer regtstreeks in de werktuigkunde te huis behoort, moeten wij deze stilzwij-
gend voorbijgaan.
Eene nuttige toepassing, die men van den stoot des waters heeft gemaakt,
vindt men in den zoogenaamden waterram van Montgolfier, (zie fig. 137/), die u
reeds uit den luchtbol is bekend geworden. Om het beginsel, waarop dit werk-
tuig berust, wel te begrijpen, zoo stelle men zich voor, dat er door eene buis eene
kolom water vloeit, en dat men plotseling de buis door eene klep sluit; wat zal dan
daarvan het gevolg zijn? — De klep zal, door den stoot, dien het water bij de
plotselinge sluiting verkrijgt, eene drukking hebben te wederstaan, welke vau de
snelheid der vloeistof afhangt en zich zal mededeel en aan al de achtervolgende wa-
terdeelen en derhalve ook aan de wanden vau de buis, waardoor het water stroomt.
Zij nu ^ Z? eene buis, waarvan het gedeelte B C horizontaal ligt, en door de
klep a gemeenschap heeft met de gegoten ijzeren klok D, door welke lucht-
digt sluitende de pijp n p gaat en daar onder de oppervlakte van het vocht