Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
269
Men ttieene niet dat, wanneer men door proefneming de lioeveeiheid voclits
bepalen wil, die in eene zekere tijdseenheid uit eene opening van bekende
grootte vloeit, de uitslag geheel in overeenstemming zal zijn met hetgeen de
boven aangewezene wetten doen verwachten. Dit is er verre van af. Men ver-
krijgt doorgaans veel minder dan de berekening tot uitkomst geeft. Het verlies
ontstaat hoofdzakelijk daaruit, dat terwijl het binnenste gedeelte des straals de
berekende snelheid heeft op den oogenblik, waarin de uitvloeijing aanvangt, de
zijdelings liggende wateraderen die nog niet bezitten, en wel des te minder
naarmate zij digter bij den rand der opening liggen ; alzoo moet het uitgevloeide
gedeelte minder zijn, dan wanneer allen eene met de middelste deelen gelijke
snelheid hadden bezeten. De randstralen hebben ook eene beweging naar het
midden van den straal, zoodat de uitvloeijende kolom niet overal even dik of
breed is, maar eene zamcntrekking ondergaat, zoodanig, dat zij op een' afstand
b d van de opening a b (zie fig. ]37c), die gelijk is aan de halve wijdte b n dier ope-
Fig. 137c ning, ^ van de breedte of dikte van a b heeft. Die
versmalling en vertraging der snelheid is zoo groot,
dat men slechts 0,64 bi een' zekeren tijd verkrijgt
van hetgeen men berekent te zullen zien uitvloei-
en. Men kan echter de nadeelige werking van
de zamenirekking des straals eenigermate vermin-
deren door cilinder- of kegelvormige buizen in de
opening te beveRtlgen. Zet men er eenö cilinder-
vormige buis a 6 in (zie fig. 137^0> zoo heeft er
wel altijd zamentrekking plaats, maar het vocht
hecht aan de wanden bij c d, de straal wordt dus daardoor
verbreed en de uitvloeijing is sterker. Door eene cilindervor-
mige buis, wier lengte 3 a 4ni3al zoo groot is als hare mid-
dellijn, verkrijgt men in plaats van 0,64 omtrent 0,84 van
de hoeveelheid, die de aangewezene berekening geeft. Dat
er werkelijk in de buis ook zamentrekking van den straal
plaats grijpt, kan men bewijzen, door in plaats van den cilinder eene korte
kegelvormige buis a b (zie fig. 137c) in de opening te bevestigen, die dus den
137e. vorm heeft van den straal; alsdan is de hoeveelheid
van het in een' bepaalden tijd uitgevloeide vocht nog
grooter. Rij de zamentrekking wordt er op de plaatsen
a en 6 (zie fig. I37d) eene luchtledigheid gevormd ;
daardoor heeft er zuiging bij de opening c d plaats, die
de uitvloeijing belemmert, maar daarentegen verkrijgt
men versnelling door de dampkringsdrukking op het bovenvlak.
Wordt de uitstroomingsbuis aanmerkelijk langer gemaakt, dan boven is .aan-
gewezen, zoo ondervindt het vocht daarin een' zeer beduidenden tegenstand.
Dit is vooral blijkbaar door de mindere hoeveelheid vocht, die door lange bui-
137c/.