Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
268
flat hier oogenschijtilijk in gelegen is, wordt weggenomen, indien men in aan-
merking neemt, dat de I4maal zwaardere drukking ook deelen van eene 14maal
zwaardere vloeistof dan water met dezelfde snelheid als de ligtere waterdeelen
doet wegvloeijen.
Verder volgt 2» dat, indien hel vat gedurende dc uitstrooming steeds op dezelfde
hoogte wordt gehouden, er in denzelfden tijd tweemaal zooveel vocht zal uilloopcn,
als wanneer door die uitstrooming de hoogte afneemt. Dit komt overeen met de
wet 3 bladz. 70. Is er dus bij voorbeeld in den bak A B fig. 1376 eene cirkel-
ronde opening van 5 strepen middellijn, en wel 10 duim onder het bovenvlek,
dan is de uitvloeijingssnelheid s — V 2 g X 0,1 V 2 X 9,8 X 0,1
— 1,4^1; de vlakke inhoud der opening is ruim 19,6 vierkante streep of
0,1960 vierkante duim. Er gaat derhalve elke sekonde eene kolom vocht door
de opening van 140 duim langen 0,1960 vierk. duim grondvlakte; dit geeft
0,1960 X 140 irr 27,44 l^ub. duim, en indien het water is, 2,744 vingerhoe-
den of 0,02744 seconde; in elke minuut zal er derhalve ruim 1,64
kan uitvloeijen.
Uit de torricellische wet wordt verder afgeleid : 3® dat de snelheden van uitstroo-
ming uit twee even groote openingen, op venchillende diepte zich bevindende, tot
elkander zullen staan als de vierkantswortels uit die diepten of hoogten Want laat de
eene opening h el, de tweede h' el onder de bovenvlakte liggen en s en s' de
snelheden van uitstrooming zijn, dan is
s — V 2 g h en s' V 2 g h'; derhalve s ; s' — \/ \ii \/ h'. Bevond
zich derhalve de bovenvermelde opening niet 10 maar 40 duim onder het bo-
venvlak, en dus dieper, dan zou er 2maal 1,64 3,28 zich door de
opening moeten ontlasten. I^ig de opening 9maal zoo diep, zoo zou er 3maal
zooveel in dezelfde tydseenheid uitvloeijen. De drukking op het vocht voor de
onderste opening zou evenwel 9 en die voor de middelste 4 maal zoo groot zyn
als voor de bovenste. Het ongerijmde, dat hierin schijnt opgesloten te zijn, ver-
valt door te bedenken, dat bij eene grootere drukking de watenleelen sneller
uitstroomende ook die drukking rasser ontwijken.
Al de hier vermelde wetten kunnen uitnemend goed door het vat van Mariotte
(zie fig. 114'^) opgehelderd worden. Door het naar boven trekken der buis a 6
kan men de hoogte van de waterkolom boven de opening m naar verkiezing rege-
len. Door dan het water o]) te vangen, terwijl men door middel van een goed
zakuurwerk de seconden gedurende de uitstrooming telt, kan men al de ge-
noemde wetten proefondervinilehjk bewijzen. Daarom telde ik dit werktuig on-
der een der nuttigste bij de leer van de beweging der vochten. De aanwijzing,
hoedanig de hoogte van de pijp moet geregeld en gemeten worden, acht ik voor
den opmerkzame niet nooilig.
Men kan den krommen weg, dien een uitstroomende waterstraal buiten het
vat beschrijven zal, zeer goed bepalen, en men verkrijgt dan op dergelijke
wijze, als bij fig. 24 is vermeld, een parabool.