Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
267
welke een weinig met de let ter-rekening bekend zijn, is deze zaak gemakkelijk
te bewijzen. Wij weten namelijk (zie bladz. 69), dat de versnelling van een lig-
chaam, na 1 seconde vallens, is 9,8 el, en na t seconden (zie de P'® grondstel-
ling bladz. 69) t X 9,8; noemen wij die versnelling s, en g het versnellings ge-
tal 9,8, dan is s = t x g of t
Nu legt een ligchaam int seconden (zie
ö
b bladz. 70) eenen weg af van t^ X of t» X | ellen; noemen wij dieu weg
ilE:
of die hoogte h, dan is h
Indien wij nu in deze uitdrukking de ge-
vondene waarde van t i" plaats stellen, dan hebben wij h ^
' en hieruit volgt 2 g h = 52 of s — V 2 g h. Wanneer dus de
ofh
2g
Firj. ]376.
hoogte h, van welke een ligchaam valt, bekend is, kan men daaruit de eindsnel-
heid s na den val berekenen, want het versnellingsgetal g is altijd 9,8. Vooron-
<lerstel nu eens, dat a b eene zeer dunne laag vocht in het vat A B is (zie fig.
137/)), dieonmiddehjk boven de opening a d ligt, dan kunnen wij, als deze laag
alleen door de zwaartekracht valt, aanne-
men, dat alle deelen dier laag met gelijke
snelheid vallen; deze snelheid zal volgens de
bovenstaande berekening, daar dan h in de
hoogte a c overgaat, s ziz: V 2 g X ^ c
zijn. Maar de laag a b wordt niet alleen
door de zwaarte aangedaan, doch ook door
de drukking der geheele kolom vochts a n.
Deze drukking versnelt de uitstrooming en
derhalve kan die versnelling dus niet meer
g of 9,8 el blijven, maar zal een ander getal g'
worden, dat zooveel maal grooter zal zijn, als de hoogte a n de hoogte a c over-
treft, dat is zoo dikwijls als ac in an begrepen is. Wij zullen dan hebben voorde
nieuwe versnelling g' — g X • Zetten wij deze waarde voor g in de uit-
drukking s V 2 g X a c, dan gaat zij over in s ^r: V 2 g X X ac
of s r^ V 2 g X ^ ^^ snelheid, die eeu vrij vallend ligchaam
van de hoogte a n vallende na dien val zal verkrijgen, waardoor de torricellische
wet bewezen is. Hieruit vloeit voort: lo dat de snelheid der uitvloeijing niet af-
hangt van de soort van vocht, want alle ligchamen vallen iu het luchtledige
even snel; maar alleen van de diepte, waarop de opening onder de vloeistof ligt.
Kwik en water, bij voorbeeld, verkrijgen dus eene gelijke snelheid, wanneer z
door openingen vloeijen, die even diep onder de oppervlakte der vloeistof lig-
gen, niettegenstaande bij het eerstede drukking omtrent finaal sterker is dan
bij het laatste, omdat kwik 14maal zwaarder is dan water. Het tegenstrijdige,