Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
■BBPHP
266
De stroom koude lucht ontvangt echter deze snelheid niet oogenblikkelijk, maar
hlijft werkelijk eenigzins achter, hetwelk het doet voorkomen, alsof de wind uit
het noord- en zuid-oosten zich beweegt.
Veel kan hier nog worden bijgevoegd, maar wij willen dit onderwerp verder
aan uw eigen onderzoek overlaten.
NEGEN EN DERTIGSTE LES.
Over de beweging der vochten en van de lucht.
Gij zult u misschien eenigermate verwonderen over de stof, die bier het on-
derwerp onzer overweging zal uitmaken. Waarom wordt hier weder een ver-
schijnsel behandeld, dat op de vochten betrekking heeft? Vooreerst omdat
Wij niet inzien, waarom men in een leerboek, als dit, angstvallig [zou zoe-
ken naar eene rangschikking der te behandelen stoffe, tenzij het in een bont
mengsel mogt ontaarden; ten tweede omdat er, bij de uiteenzetting van het
onderwerp, van werktuigen en eigenschappen moet gesproken worden, die men
eerst na de beschouwing der lucht konde verstaan, en ten derde, omdat hier
de eigenschappen van het water weder eigenaardig optreden als vertegenwoor-
digers van die der lucht.
lïet onderzoek aangaande de wetten van de beweging der vochten is eene der
gewigtigste bezigheden van den werktuigkundige. Duizenden verrigtingen op
het veld, dat hij te bearbeiden heeft, rusten er op. Wij zullen echter in deze wetten
niet te diep doordringen, daar dit alleen door tamelijke bedrevenheid inde wiskun-
de mogelijk wordt. De herlezing der 17de les wordt intusschen ernstig aanbevolen.
Maar wij hebben immers de vochten en de lucht reeds in beweging gezien? —
Het rad van Segner, de Herons fontein, de luchtpomp, de brandspuit, het stoom-
werktuig, de wind, al deze zaken kunnen toch zonder beweging van vocht en
lucht niet bestaan. Het is zoo, en daarom zijn de natuurkundigen het ook op
verre na niet eens in het rangschikken dier onderwerpen, maar ons doel is
hier de wetten na te sporen of liever te vermelden, volgens welke de strooming
der vochten en gassoorten door openingen of buizen geschiedt.
Wanneer in een vat, dat met een vocht is gevuld eene opening in den bodem
of een' der zijwanden wordt gemaakt, zal het vocht er uitvloeijen, indien de
drukking van den dampkring op deze opening niet die van het vocht zelf over-
treft. De hoeveelheid, welke er in een' gegeven tijd ontsnapt, hangt natuurlijk
af van de grootte der opening en de snelheid, waarmede de vloeistof het vat ver-
laat. Aangaande die snelheid nu, waarop het toch hier hoofdzakelijk aankomt,
is de volgende wet, die naar den ontdekker de torricellische wet wordt genoemd,
bekend geworden..
De vochtdeelen hebben, wanneer zij de opening verlaten, eene snelheid, even groot
als die, welke zij verkrijgen zouden, indien zij in het luchtledige van de boven-
vlakte van het vocht tot aan de opening waren gevallen. Voor diegene der lezers.