Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
260
liij opwaarts? Welk nut heeft deze uitvinding aangebragt of brengt zij nog aan?
Laat ons deze vragen trachten te beantwoorden !
Gij kunt, na het verncinen der cigenscliappen \an de hichtvormige vloeistof-
fen, bij eenig nadenken gemakkelijk het besluit opmaken, dat de wet van Archi-
medes zoowel bij deze ais bij de vochten doorgaat. Immers deze grondstelling
was een gevolg van de zwaarte en de volkomen verschuifbaarheid der vochtdee-
len, en daar deze ook bij de luchten gevonden worden, zoo zal op de laatstge-
noemde, al wat bij de vochten le dezen aanzien is gezegd, toepasselijk zijn. —
Inderdaad verliest elk Uychaam ook in de lucht zooveel aan gewigt, als de zwaarte
der hoeveelheid luchts bedraagt, die dat voorwerp wegstoot. De reden hiervan kunt
gij op dergelijke wijze verklaren, als dil bij de vochten is geschied. Deze be-
langrijke waarheid kan ook proefondervindelijk worden bewezen. Wanneer men
namelijk een ligchaam, specifiek ligter dan de gewigten, die men gebruikt, eerst
in de lucht weegt, en daarna onder den luchtledigen ontvanger der luchtpomp,
zal het in het laatste geval altijd zwaarder worden bevonden, en wel zooveel
als het gewigt der hoeveelheid luchts bedraagt, die bet ligchaam verplaatst.
Hieruit besluiten wij dan al aanstonds, dat elk voorwerp van eene kubieke palm
grootte in de lucht 1 wigtje en 3 korrels aan zwaarte zal verliezen, omdat het
gewigt van 1 kub. palm dampkringslucht, bij den gemiddelden stand (76 duim)
van den barometer, omtrent 1,3 wigtje bedraagt. Verder zien wij er uit, dat
het ware gewigt van een ligchaam, dat is het gewigt in het luchtledige, te meer
van dat door weging in de lucht verkregen zal verschillen, naarmate de baro-
meter hooger staat, dat beteekent, naarmate de lucht zwaarder drukt, en bij
gevolg de weggestootene lucht digter of zwaarder is en naarmate dat ligchaam
specifiek ligter is, dat is naarmate het bij eene bepaalde zwaarte grooter uitgebreid-
heid heeft. Nog kunnen wij uit deze waarheid besluiten, dat hetzelfde ligchaam
dan ook niet altijd dezelfde zwaarte heeft, dus ook de gewigt stukken niet. Men
legt in de schalen van een gevoelig balansje een stukje lood aan de eene en
een even zwaar stuk kurk aan de andere zijde; dan zet men het balansje on-
der de klok der luchtpomp, haalt er de lucht onder weg, en aanstonds zal
de balans naar de zijde van het stuk kurk overslaan. Welke stof had nu het
meest in de lucht aan gewigt verloren ? Het is thans zeer duidelijk, dat een pond
kurk werkelijk zwaarder is dan een pond lood, indien namelijk deze hoeveel-
heden in de lucht zijn afgewogen.
Wij leeren hieruit, dat een ligchaam of in den dampkring dalen, of er in oi>
stijgen zal, naarmate dat ligchaam zwaarder of ligter is dan de hoeveelheid
luchts, die het verplaatst; dit komt geheel overeen met hetgeen in de 29® les
is uiteen gezet.
Verbeeldt u nu eens, dat er op den bodem van een glas met water een blaasje
wordt gelegd met olie gevuld, zoo zal dit, vrij zijnde, naar de oppervlakte van,
het water klimmen. Kn als men onder aan dit blaasje een stukje blik bindt,
in den vorm van een schuitje, dan zal dit mede naar boven gevoerd worden