Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
wikkelclé -waarheid: ieder voorwerp beslaat plaats;-want was een ligchaam door-
dringbaar, konden er op dezelfde plaats in denzelfden oogenblik twee ligcha-
men aanwezig zijn, dan zoude of het een of het ander geene ruimte innemen,
en dit is onmogelijk.
Nog eene proeve! — Een' steenen of metalen bal laat ik in een glas met
water vallen, en, wat te voorzien was, het water staat nu iets hooger in het
glas, want een gedeelte er van heeft plaats moeten maken voor het ingeworpene
ligchaam. De vorm van de vloeistof moge veranderd zijn, zij blijft dezelfde uilge^
breidheid innemen. — Verschijnselen, die met deze eigenschap in strijd schijnen,
zullen er zich misschien wel opdoen, maar zij zullen echter voldoende verklaard
worden.
Hebt gg de ondoordringbaarheid bij vaste en drupvormigc ligchamen bevestigd
gezien, men kan ze ook doen uitkomen, bij de lucht Ook de lucht, die onzigt-
bare, oseral verspreide stof, die deze geheele kamer vult, onze gansche aarde
omringt, waarin wij leven en ons bewegen met alle dieren, waarin de vogels
zwe\en even als de visschen in het water, en waarin de wolken drijven, eene stof
zoo fijn en zoo doorschijnend, dat wij haar niet zien, maar slechts voelen kunnen,
bij voorbeeld, wanneer het waait of wanneer gij de vlakke hand snel heen en
weder beweegt; ook deze onzigtbare stof verzet zich tegen het indringen der lig-
chamen in hare plaats; ook zij is ondoordringbaar. Eene met lucht gevulde blaas
kan u daarvan blijkbaar overtuigen Kunt gij haar zamendrukken, zelfs bij de
grootste krachtsinspanning? — En waaromniet? — Omdat de stof, die zich in
de blaas bevindt, de lucht namelijk, het niet gedoogt.
Wilt gij er nog eene meer doorslaande proeve van? — Ziehier een glas water;
er drijft een stukje kurk boven op, waarop een waskaarsje is gestoken. Neem
nu een naauwer en ledig glas, zet dit, het onderste boven over het kaarsje, en
druk het glas in het water tot beneden aan den bodem van het wijdere. Wat
gebeurt er nu ? — Het kaarsje blijft branden, en het kurkje, waarop het beves^
tigd is, volgt de opening van het naauwere glas. Het water is dus hierin niet
opgeklommen, dit is duidelijk. Wat belet nu die vloeistof om er in op te rij-
zen? Niets anders dan lucht; zij is het, die haren nabuur, het water, wegdringt;
want ziet, — zoodra het glas een weinig schuin wordt gehouden, ontsnapt de
lucht van onder het glas in de gedaante van groote bellen, die in het water op-
stijgen en aan de oppervlakte vaneen barsten. De genomene proeven bevestigen
dus de ondoordringbaaarheid der stof.
Op de medegedeelde eigenschap der lucht berust de inrigting der duikerklok,
een allernuttigst werktuig, dat de kunst gemakkelijk gemaakt heeft, om in de
diepte der zee af te dalen, ten einde daar gezonken goederen van te gronde ge-
gane schepen terug te vinden, de gesteldheid van den grond op te nemen, of met-
selwerken aan te leggen voor bruggen, vuurtorens of zeehavens op anders onge-
naakbare plaatsen.
De duikerklok kan volmaakt vergeleken worden met het glas, hetwelk met