Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
TWEEDE LES.
Algemeene eigenschappen der ligchamen. — Ondoordring-
baarheid. — de duilierlilok.
Ziehier een' ring, met een diamant bezet! Met dien steen strijk ik over een
glas, en er ontstaan krassen op. Eenige zeer kleine papiervezeltjes strooi ik
over de tafel, wrijf vervolgens den diamant sterk over den mouw, en nu ik
den steen bij de stukjes papier breng, springen er enkele naar toe en blijven
er sommige aanhangen. Dit zijn twee zeer merkwaardige eigenschappen van
den diamant. Men ontdekt ze niet bij ijzer, koper of hout. Zulke eigenschappen
van de ligchamen^ welke slechts enkele en niet alle bezitten, noemt men bijzondere ei-
genschappen.
In de vorige les hebt gij ook algemeene eigenschappen der ligchamen leeren
kennen. Wij zagen, dat elk ligchaam plaats beslaat en eene bepaalde gedaante
beeft.
Algemeene eigenschappen der ligchamen zijn derhalve dezulken, welke alle ligchamen
zonder onderscheid en onder alle omstandigheden bezitten. Onder deze zijn er, zonder
welke wij de ligchamen niet kunnen denken te bestaan en ook dezulke, welke wij alge-
meen noemen, omdat wij ze bij alle on5 bekende ligchamen opmerken. Tot de eerste
soort rekent men behalve de reeds vermelde uitgebreidheid en gedaante
1'. de ondoordringbaarheid.
Onder de laatste rangschikt men :
2*. de deelbaarheid,
3'. de poreusheid of ijlheid,
4*. de zamendrukbaarheid,
5'. de vatbaarheid voor uitzetting of het uitzettingsvermogen,
6*. de veerkracht,
7'. de zwaarte,
8*. de traagheid.
Ik wil ieder dezer eigenschappen door proeven en waarnemingen ophelderen,
terwijl ik achter de les, onder het opschrift van toepassingen, u gelegenheid
geven zal, om over het geleerde na te denken.
Alle stofdeeltjes, hoe klein ook, hebben dit gemeen, dat zij de ruimte, door
hen ingenomen, zoodanig aanvullen, dat er gelijktijdig geen ander ligchaam
daarin bestaan kan. — Ziehier een boek. — Is het mogehjk, dat zich in zijne
plaats op denzelfden oogenblik een ander bevinde? Immers neen. Kan er door
een' bal een'anderen gebragt Avorden, terwijl de eerste in wezen, in zijnen eige-
nen toestand blijft? Onmogelijk. — Deze eigenschap noemt men de o«r/oorirfrin^-
baarheid der stof of der ligchamen. Men verstaat derhalve daardoor: geen lig-
chaam kan de plaats van een ander bezitten, zonder dit geheel, of eenige van zijne
deelen uit den weg te stooten. Het is een regtstreeksch gevolg van de vroeger out*