Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vti
Voor de ongeloofelijke fijnheid der gasatomen pleit de volgende proef van
Lonyet. Wanneer men door eene haarfijne opening waterstofgas doet stroomen
(zie de verklaring bij fig. 118 en \ 19), en men houdt, tot zelfs op 3 a 4 duim af-
stands voor deze opening, een bladpapier, een stuk goud-*of zilverblad of zelfs
bladtin, dan stroomt het gas door deze tusschenstoffen onafgebroken heen, en de
gasstroom verandert niet van vorm; platinaspons zal er gloeijend door worden,
wanneer men dit tegen de achterzijde van het blad houdt. Door een zeer dun
plaatje geblazen glas dringt de waterstof evenwel niet.
Hoogst opmerkelijk is de uitwerking van de vereenigde zuurstof en waterstof
bij de ademhaling van menschen en dieren. Deze levensverrlgting bestaat daarin,
dat eene hoeveelheid lucht door de longen, die uit eene zeer poreuse of sponsach-
tige, ligte zelfstandigheid zijn zamengesteld, wordt opgenomen en weder uitgedre-
ven. De lucht is derhalve tot de ademhaling noodzakelijk ; proeven hebben dit
bewezen; indien een dier onder de klok eener luchtpomp wordt gebragt, ziet men
het na gedeeltelijke wegneming der lucht verzwakken, nedcrvallen en weldra
sterven. Wanneer nu dc ingeademde lucht in de longen treedt, en daar het
door het ligchaam rondgeloopen bloed ontmoet, hetwelk door dien omloop met
waterstof en koolstof is bezet en eene zwarte kleur heeft gekregen, zoo vermengt
zich de zuurstof der ingeadeaide dampkringslucht met de waterstof en koolstof
van het bloed. De eerste verbinding maakt water, de tweede vormt koolzure
lucht, die voor de ademhaling ongeschikt is. Het bloed wordt alzoo gezuiverd,
krijgt eene helder roode kleur en wordt door de slagaderen weder door het lig-
chaam rondgezonden. Gij ziet, dat er in de dieren dus werkelijk eene verbran-
ding van koolstof plaats grijpt, de verbinding treedt als koolstofzuur in den
dampkring terug. Waterstof en zuurstof bevorderen bovendien de warmte, en
ziedaar dan ook die vereeniging gedeeltelijk tevorderlijk gemaakt aan de onder-
houding der dierlijke warmte; ik zeg gedeeltelijk, want meu vooronderstelt, dat
ook de werking der zenuwen op eene nog onbekende wijze waarschijnlijk daartoe
veel bijdraagt.
Uit deze verklaring blijkt, dat door de ademhaling de lucht noodzakelijk be-
derven moet; dewijl er in plaats der zuurstof koolstofzure lucht wordt terug-
gegeven. De groote Lavoisier heeft, ten aanzien der verbruikte hoeveelheid zuur-
stof door de ademhaling van den mensch, menigvuldige proeven genomen. Dc
moordlust der frausche omwentelingsgezinden maakte in 1 793 een einde aan dit
onderzoek; en toen de moedige man om nog eenige dagen uitstel verzocht, ten
einde sommige gewigtige nasporingen ten einde te brengen, wees men ruw zijne
bede af cn sleepte hem naar het schavot. Deze geleerde vond, dat de mensch in
24 uren 753 kubieke palmen of kannen zuurstof gebruikt: nu maakt dc zuurstof
0,21 of bijna ^ van den dampkring uit; en daar 753 X 5 ruim kubieke el
geeft, zoo bederft de mensch even zoo veel dampkringslucht in éenen dag. Be-
denkt gij nu hierbij, dat eene kaars van 6 in het pond 340 kub. palmen lucht
noodig heeft, om gedurende 24 uren brandende te blijven, dan kunt gij uit een