Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
sehen onze aarde en de maan, nog grootere tusschen de aarde en de zon, en uög
ondenkbaar grootere tusschen de aarde en de vaste sterren, die wij des avonds aan
den hemel zien schitteren. De ruimte, waarin onze aarde met die tallooze hemel-
b ollen bestaat, waarin zij omwentelen, waarin wij ons met alles, wat ons omringt
bevinden en ons bewegen, die ruimte is oneindig groot, dat wil zeggen, zij
lioudt nergens op, zij heeft geene grenzen. Daar nu de oneindige ruimte gren-
zeloos is, zoo is zij tevens vormeloos.
Wij weten dan nu, dat elk stofje, elk diertje, hoe klein ook, een gedeelte van
de oneindige ruimte inneemt en eene bepaalde gedaante heeft. Beschouwt de fijnst
mogelijke stofdeelen door een vergrootglas en gij zult zien, dat die kleine,
schier ouzigtbare stores allen plaats beslaan en eene eigene gedaante bezitten;
ieder stofje zal een zware klomp schijnen te worden.
Bij dat onderzoek trekt vooral de vorm dier ligchaampjes onze aandacht. In
het dieren-, planten- en delfstoffennjk ontmoet men figuren, die door hare re-
gelmatigheid onze bewondering tot zich trekken, en ons hart opvoeren tot Hem,
die zoowel in het kleine als groote Zijne magt open legt. Wie de veelvuldige
stofjes, die de vleugels der kapellen of vlinders bedekken, de voelhoorntjes der
insecten, hunne oogen, de schubben der visschen, de zaden van sommige planten,
de fijnste bladen der bloemen, de doorsnede van hare stengels of van de takken
der boomen door een vergrootglas naauwlettend beziet, zal daarvan de volste
overtuiging erlangen. Vooral zijn het ook de kristallen, waartoe het keuken-
zout, de salpeter, de klontjes kandijsuiker, de diamant en alle edelgesteenten
behoorcn, die door hunne zeer regelmatige gedaante het oog boeijen.
Dat de ligchamen niet alleen in gedaante maar ook in grootte zeer iiiteen-
loopen, kan u niet onbekend zijn. In eene der volgende lessen zal ik gelegen-
heid hebben, om u oplettend te maken op de onbegrijpelijke kleinheid van som-
mjge ligchaampjes. En wilt gij een ligchaam zoo groot, dat men er zich even-
min een denkbeeld van kan vormen? Beschouwt dan de zon. Indien dat lig-
chaam hol ware, zou men onze aarde in haar binnenste naauwelijks kunnen vin-
den. Verbeeldt u een koord, uitgaande van het middelpunt der aarde, bijna
tweemaal zoo lang, als de afstand bedraagt van onze aarde tot de maan; dat
men die koord, terwijl zij steeds gespannen blijft, in alle mogelijke rigtingen om
het middelpunt der aarde bewege; neemt eindelijk aan, dat de verbazende ruim-
te, door die koord doorloopen, geheel met eene zekere stof worde aangevuld,
hetgeen dan klaarblijkelijk een bol zal moeten zijn, en gij hebt de uitgebreidheid
van het zonneligchaam. ,
Ik zal u niet bezig houden met de opsomming der maten, waarvan wij ons be-
dienen, om de uitgebreidheid der ligchamen, vlakken en lijnen te bepalen. Op
elke welingerigte school in ons vaderland wordt men toch hiermede reeds als
kind bekend gemaakt. Wij zullen ons dan ook alleen van dit nieuwe, doelma-
tige, alom bekende metrieke stelsel ter bepaling van de verschillende afmetingen
bedienen.