Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
EERSTE AFDEELING.
EIGEiNSCHAPPEIV DER LÏGCIÏAMEiV.
EERSTE LES.
her de ligchamen, Imnne uitgebreidheid en gedaanle.
Alles, wat zich in, op of om de aarde bev indt, kunnen wij door onze zintuigen
'pmerken. Zoo worden wij door het gezigt van het aanwezen van duizenden
voorwerpen overtuigd; door het gehoor vernemen wij het bulderen van den storm,
iiet gezang der vogelen, en de toonen der muzijk; door den reuk worden wij eene
bloem, eene vrucht en menige andere stof gewaar; de smaak doet ons den azijn
van de suiker en het roet onderkennen; terwijl het gevoelens met koude, warmte,
wind, enz. bekend maakt en, bij betasting tallooze dingen voor den geest brengt.
Al hetgeen door onze zintuigen wordt waargenoraen, of liever, alles wat onze
zintuigen aandoet, noemt men ligchamen. En omdat alle ligchamen uit stofdee-
len bestaan, geeft men hun ook wel den algemeenen naam van stof. Evenwel is in
zekeren zin alles wat men ziet geen ligchaam of stof, anders zoude ook de
schaduw van cenig voorwerp een ligchaam zijn; ook kan men, omgekeerd, niet
stellen, dat alles wat men niet zien kan, geen ligchaam is, want dan zou de
lucht, die ons omringt, niet stoffelijk zijn.
Alle stof of ieder ligchaam beslaat plaats, het neemt eene zekere ruimte in<
Stelt u een' steen voor, van eene kub. palm grootte. Dompelen wij dien steen in
het water, dan kan er daar, waar hij ligt, geen water zijn; de steen toch heeft
dit verplaatst, het weggeduwd. Laat nu de kubus weder uit het water genomen,
en zijne plaats niet weder gevuld worden, laat het water dus volgens het be-
loop van de zes zijden des steens, blijven staan; dan is dit ledige vak, de
ruimte, welke de steen innam, eene uitgebreidheid van eene kubiekej)alm groot.
Zoo neemt nn alle stof elk ligchaam eene plaats of eene ruimte in. De plaatsen,
waar de uitgebreidheid van een ligchaam ophoudt, de aaneenschakeling dus van
al de punten, die er,' in het aangehaalde voorbeeld, tusschen den steen en het
water waren gelegen, noemt men de grenzen des ligchaams.
De ligging van de grenzen eens ligchaams bepaalt dus de figuur, de gedaante,
den vorm er van. Denkt slechts aan den steen! Lagen de plaatsen, waar het wa-
ter den steen raakt, in eene andere rigting met betrekking tot elkander, de ge-
daante of de figuur van het ligchaam zoude ook zeker anders zijn.
Tusschen de onderscheidene voorwerpen bevindt zich nog meer ruimte, waarin
nog andere ligchamen kunnen liggen. Zoo is er eene zeer groote ruimte tus-