Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
221
of rugjes van aarde, zet in ieder vierkant platte schotels met water gevuld,
overdekt alles met stroo of droog suikerriet, en laat dit zoo gedurende dun
nacht staan, als wanneer het water in de schotels grootendeels in ijs veranderd
is. Deze ijsfabnjken verschaffen soms aan 300 werklieden bezigheid. Dit ijs
dient hoofdzakelijk tot verkoc^i»g van spijzen of dranken.
Toepassingen.
Waarom haat het niet, of men onder het water ter meerdere verhitting, na
het koken nog meer brandstof aanvoert ?
Waarom kwetst een druppel kokende olie, die op de hand valt, veel meer
dan een druppel kokend water?
Waarom vermindert een stuk ijs in grootte, dat men bij vrieskoude in de
opene lucht plaatst?
Waarom hangen er druppels aan de deksels van het vaatwerk, indien er
eenige vochtige stoffen in worden verhit; en waarom worden die deksels zw
heet ?
Waarom kunnen in den papiniaanschen pot harde zelfstandigheden, bij
voorbeeld een groot deel der runderbcenderen. tot lym, dat is tot eene zeer
weeke stof worden gebragt, terwijl dit in gewoon kokend water niet mogelijk is?
Waarom laat men in de zoutkeeten het zoute water door takken bij drup-
pels nedervallcn ?
Waarom worden glazen bekers, aardewerk en andere voorwerpen dof, indien
men ze uit eene koele plaats in een warm woonvertrek brengt?
W^aarom zijn op sommige tijden de muren der gebouwen vochtig?
Waarom worden de ligchamen in de vrije lucht niet allen door den dauw
evenzeer bevochtigd?
Waarom brengt gewoonlijk een noord- cn zuid-westen-wind regen, en een
noord- en zuid-oosten droogte?
Waarom hebben de planten in liet algemeen eenen lageren warmtegraad dan
de lucht? (Hier denke men aan de gestadige uitwaseming der planten).
ZES EN DERTIGSTE LES.
De slöoniwerkluigen.
Wij willen u thans bekend maken met eenen toestel, dien men waarlijk het
meesterstuk der werktuigkunde kan noemen ; een zamenstel, dat treffend be-
wijst, hoe de mensch de onbezielde stof weet te beheerschen, ja als het ware met
verstandelijke krachten weet te bededen ; een werktuig, dat hem in zeer vele
opzigten belangrijke diensten bewijst, wat zeg ik, dat hem reeds onmisbaar is
geworden. Het is het stoomwerktuig, dat ik u wilde verklaren. Deze naam is