Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
218
dat bij opzuiging van dampen de meeste ligchamen hun uitzettingsvermogen
verliezen; daarbij heeft dan meestal ontwikkeling van warmte plaats, en wel
somtijds in zulk een' graad, dat er brand uit kan voortvloeijen. Dit gebeurt wel
bij het broeijen van hooi en het ontbranden van steenkolen.
De vatbaarheid der lucht om, juist zooals verschillende gassoorten zich met
elkander vermengen, de dampen in zich op te nemen, getuigt alweder van de
wijsheid en liefde des Scheppers. Deze vereeniging is de oorzaak van het ont-
staan van dauw, regen, nevel, sneeuw, hagel, enz., en zij onderhoudt dus dien
verwonderlijken omloop des waters, waardoor de geheele bewerktuigde schep-
ping in aanwezen blijft. Waterdeelen stijgen op in de lucht, vallen naderhand iu
druppels op het aardrijk neder, besproeijeu weldadig den grond, dringen door de
oppervlakte, en vormen bronnen, beken, rivieren en stroomen, die op nieuw
dampen doen opstijgen.
W^y willen iets van eenige der voornaamste waterige luchtverhevelingen
zeggen!
Wij beginnen met den dauw; hij ontstaat daardoor, dat gedurende den nacht
de ligchamen op de oppervlakte der aarde de op den dag verkregene warmte-
stof verliezen, welke warmtestof zij naar de hoogere luchtlagen uitstralen. De
lucht behoudt daarentegen hare warmte veel langer, en de ligchamen dus kou-
der wordende dan zij, verdikken de waterdeelen, die zij in zich bevat, op
hunne oppervlakte; de voorwerpen, welke het meest verkoeld worden, vindt
men dus ook het meest door den dauw besproeid. Later zal men meer van dit
merkwaardig en nuttig uatuurverschyusel vernemen.
De rijp of rijm heeft geene andere oorzaak dan de dauw; het is dauw, die
op de oppervlakte der ligchamen, dewijl deze tot beneden het vriespunt waren
afgekoeld, is bevrozen. Het bevriezen der glazen in onze woonvertrekken kan
hiertoe gebragt worden : de dampen, welke in de kamer aanwezig zijn, hechten
zich in druppels aan de vensterglazen, en veranderen daar in ijs of eene soort
van sneeuw, ten gevolge der koude, welke de glasruiten van de buitenlucht ont-
vangen hebben.
De mist ontstaat daaruit, dat er zich meer waterdeelen in de lucht bevinden,
dan deze onder den warmtegraad, die zij alsdan bezit, kan ophouden, waarvan
het gevolg is, dat die overtollige vochtdeelen verdikken, en bijgevolg zigtbaar
worden. De nevel of mist, dien men dikwerf boven meiren, rivieren en grach-
ten ziet hangen, vindt insgelijks hierin 2ijne oorzaak. Het water is in dat
geval warmer dan de lucht, eu stoot meer dampen uit, dan de lucht bij haren
op dien oogenblik aanwezigen warmtegraad kan ophouden.
De wolken zijn niets anders dan groote zameiihoopingen van meer of min dik-
ken mist, op verschillende hoogten in den dampkring hangende. Al de dampen,
welke zich op de vlakten der aarde, op vochtige plaatsen, heuveltoppen of el-
ders vormen, worden wolken, zoodra de wind, zonder ze uiteen te drijven, hen
opneemt en wegvoert. De wolken bestaan waarschijnlijk uit eene ophooping van