Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
235
^^^ het water er sterk in verhit wordt, bevindt er zich boven
^ op het deksel eene veiligheidsklep mon; deze bestaat in
eenen hefboom mn, draaijende om het punt m; in het punt
O is aan de staaf m n eene metalen stop bevestigd, die de
opening iu het deksel van den pot sluit, en die wordt ne-
dergedrukt door het gewigt «, dat aau het einde van den
hefboom hangt. Het is uit hetgeen van den hefboom ge-
zegd is duidelijk, dat door het gewigt n meer naar het
rustpunt m te schuiven, het gevaar van springen vermin-
dert, omdat de klep n alsdan veel gemakkelijker kan opge-
tild worden. — In zulk een werktuig nu kan men het wa-
ter zoodanig verhitten dat zijn uitzettingsvermogen eene drukking van 4^5
duizend pond op de vierkante palm tegen de wanden uitoefent, eene uitzettings-
kracht, die, ingeval men in dezen toestand de klep o opent, den stoom onder eeu
verschrikkelijk geblaas met zulk eene vaart den ketel doet verlaten, dat hij
eenen straal van 6 tot 10 el hoogte vormt. Men ziet hieruit, dat er groot
gevaar gepaard gaat met het verhitten eener vloeistof in eene beslotene ruimte,
indien men niet de vereischte voorzorgen neemt.
Het is eeu inderdaad heilzaam verschijnsel, dat de damp zooveel warmte in
zich besluit, of vastlegt. Had dit geene plaats, bleef btj voorbeeld tot aan het
koken, al de warmtestof in het water, zoo zou dit koken niet langzamerhand
geschieden, maar de geheele massa zou, zoodra zij boven de 100° verhit was,
eensklaps in stoom veranderen. Werd iu het ijs en de sneeuw eerst zoo veel warm-
testof verzameld, als voldoende was om deze zelfstandigheden eensklaps te doen
smelten, en sloot het daaruit ontstane water eu de damp niet veel warmtestof iu
zich, ijs eu sneeuw zouden dan niet bij gedeelten ontdooijen, maar dit zou plotse-
ling plaats grijpen, en de hevigste overstroomingen zouden er het gevolg van zijn.
Dat wij nu uog iets van de vrijwillige verdamping zeggen.
Het is eene bekende daadzaak, dat nat lijnwaad, uitgehangen zijnde, weldra
droog wordt; dat de inkt inden koker veel meer aan hoeveelheid verliest, da»i
er wel van gebruikt wordt. Ziedaar voorbeelden vau vrijwillige verdampiug;
zij verschilt slechts hierin van die door koken ontstaan, dat bij gene de dam-
pen aan de oppervlakte zich vormen, en bij deze, zoo als wij zagen, tc midden dezer
vloeistof worden voortgebragt. Menigvuldig ziju de verdampingen van eerstge-
noemden aard. Het water der rivieren, meireu eu zeeën dampt gestadig uit. De
vochtige aarde, de planten, de menigte dieren wasemen uit; in ééii woord aau
alle plaatsen, waar vochten aanwezig zijn, vormen zich dampen. Vlijtige natuur-
onderzoekers hebben ontdekt, dat iu 24 uren tijds, op elke vierkante el opper-
vlakte van het water eene kan dezer vloeistof indamp overgaat; dat een mid-
delmatige boom 12 pond en elk mensch bijna ée'u pond water uitwasemt. De
hoogleeraar de Vriese stelt de massa vochts, die een middelmatige linde boom
vau 1 Juuij tot half October uitwasemt, op 17125 ponden of kannen. Het