Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
iOo
Fig. 117c.
^rt
Fig. 118.
(Ie zijdelingsche opening o door het water geslo-
ten. De buitenlucht dus niet meer in A door a o
kunnende toetreden, drukt nu sterker op de ope-
ningen c c dan de verdunde lucht in A, en de
uitvloeijing houdt op. Eenige oogeiiblikken daar-
na is er evenwel weder zooveel vocht door n ont-
snapt, dat de opening o weder boven het water
komt, de dampkringslucht treedt nu weder in A
toe en de uitstrooniing door de buizen cc vangt
op nieuw aan. Op die wijze duurt deze afwisselen-
de werking voort, tot het vat A geheel ledig is.
Het werktuigje, dat fig. 118 voorstelt, is de
zoogenaamde platina- of waterstof gaslamp. Deze is
gewoonlijk zamengesteld uit een bodemloos fleschje
of eenen cilinder rt 6, vastgehecht en luchtdigt ge-
sloten aan hel koperen deksel c d. Het bevat in
zich een' cilinder i van zink, welke hangt aan eenen
koperen draad i r, die almede aan het deksel c d
is verbonden. Dit bodemlooze fleschje a 6 is in een
grooter glas of wijderen cilinder c d c ƒ besloten, welks
bodem het niet raakt, Het groote glas c d efh gedeel-
telijk gevuld met verdund zwavelzuur, of, zooals reeds
is medegedeeld, met water, waarin zwavelzuur is ge-
mengd; (gewoonlijk 6 deelen water en 1 deel zuur).
Legt men nu het deksel c d met zijnen toestel op het
glas, dan kan het vocht niet in de ruimte a b dringen,
want de lucht, die er in is, belet zulks. Maar gezegde ruimte a b kan door
middel van het kraantje s gemeenschap met de buitenlucht verkrijgen ; wil men
dus water in den kleinen cilinder brengen, men opent dan deze kraan, de lucht
ontsnapt nu door de drukking van het vocht uit het fleschje, het zure vocht
dringt er in, en men laat dit zoolang aanhouden lot de zinken cilinder ge-
deeltelijk is ondergedompeld, wanneer men de kraan sluit. Het zuur werkt nu
op het zink, en het water wordt ontbonden; het waterstofgas wordt vrij, ver-
zamelt zich in de ruimte a b, cn drukt al meer en meer het vocht uit deze
ruimte iu het grootere glas, tot zoo lang dat het zuur den onderkant van het
zink niet meer aanraakt, als wanneer alle werking natuurlijk ophoudt, en men
een vat a b vol zamengeperste waterstof verkregen heeft. De kraan s nu
openende, ontsnapt het gas in de lucht door de haarfijne opening t. Daar
wordt het met de zuurstof der dampkringslucht vermengd, en dit mengsel
ontvlamt dadelijk door het bijbrengen van eene vonk of eenig vlammend lig-
chaam. Sedert het jaar 1823 echter heeft Doehereincr, scheikundige te Jena,
ontdekt, dat deze ontvlamming op eene merkwaardige wijze bevorderd wordt
10