Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
S04
Fig. 1176.
deren rand e e, die er rondom op vastgespijkerd is, verbonden ; zoo ook is A i
aan den lx)dem a a, door middel van leder a h i bevestigd. Wordt nu, bij den
in de figuur aangewezen stand, de lange arm / van den hefboom l n, welke
om m beweegbaar is, naar beneden getrokken, dan schuift de rol n langs het
om h beweegbare deksel h i, voert dit daardoor in de hoogte, doet het a a
naderen, en de in de onderste ruimte bevatte lucht drukt door hare zamen-
persing de klep in lii digt, opent die in aa en treedt in de kamer b b. Daalt
nu de bodem h i, zoo opent zich de in haar liggende klep, er treedt nieuwe
dajnpkringslucht in de beneden ruimte, die weder naar de kamer b b kan ge-
voerd worden. Door de spankracht der lucht in laatstgenoemde ruimte wordt
het deksel ƒ opgeheven, cn is dit nu met zware gewigten bezwaard, dan drukt
het voortdurend op de onder haar liggende lucht, en perst alzoo gelijk-
matig een' luchtstroom door de blikken pijp c b, wanneer men de kraan d
openzet, liet is duidelijk, dat men door zulk eene inrigting de lucht den
balg niet met stooten ziet verlaten, zooals dit bij de gewone blaasbalgen plaats
vindt.
De zoogenaamde toovertrechtcr (zie fig. 1176) bestaat uit 2 in elkander gesto-
ken en van boven luchtdigt aan elkander gesoldeerde
blikken trechters, welke eene ruimte c c tusschen
beiden overlaten, waarin eene zeer kleine opening bij
a aau de binnenzijde aanwezig is. Het oor van den
trechter is voor een klein gedeelte hol; dat holle deel
staat in gemeenschap met de tusschenrnimte c c en
heeft bij b eene kleine opening. Men giet den trechter
bij J vol, terwijl men de punt m met den vinger sluit.
Het vocht dringt door a nu ook in de tusschenrnimte
c c, waaruit de lucht door b kan ontwijken. Noemt
men deu vinger bij m weg, zoo begint het vocht uit c te vloeijen, maar
dit houdt aanstonds op, indien mende opening 6 met den duim sluit. Door
het van tijd tot tijd ojiligten van don vinger bij b laat men den trechter dus
loopen, wanneer men verkiest. De reden vau dit verschijnsel is de luchtdruk-
king bij m.
De tusschertpoozerulefonfcin (zie fig 117c) bestaat uit een watervat J, dat iu
den bodem 2 of meer uitvloeijingsbuisjes cc bezit; verder gaat luchtdigt door
dien bodem eene buis a o, die bij a open is, en bij o, alwaar zij in eenen bak
B B, rustende op ^oeten b b, is bevestigd, eene zijdelingsche opening o bevat.
Het vat A is door eene stop ni luchtdigt gesloten, en wordt door deze, tot bij
voorbeeld oj) de helft, met water gevuld. Ten gevolge van de drukking der lucht
in A, die door de opening o met de damjikringsdrukking steeds in evenwigt is,
vloeit het water uit de buizen c c iu den bak B B, en uit dezen door de 0|>e-
ning n iu den benedensten bak C C. Maar daar n niet zooveel water laat weg-
vloeijen, als de bulzen cc aanvoeren, zoo wordt de bak B B voller en eindelijk