Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
203
hadden gedaan ; dan zou (dit is l)ij de vochten aangetoond) de drukking op de
blaas gelijk zijn geweest aan het gewigt eener luchtkolom, die tot grondvlakte
heeft het gespannen gedeelte der blaas, en tot hoogte de geheele hoogte van
den dampkring boven de plaats, waar wij stonden. Welnu, dan moet immers
de zijdelingsche drukking even zoo groot zijn, cn zich ook in de kamer open-
baren, daar toch de lucht, in deze begrepen, met de buitenlucht gemeenschap
heeft?
In deze proeve zou men een middel kunnen vinden, om de grootte van'de
dampkringsdrukking te meten, even zoowel als men o() den bodem der zee
met dergel ijken toestel de drukking van de kolom water zou kunnen bereke-
nen, die zich alsdan boven ons hoofd uitstrekte. Maar" er hestaab een veel ge-
schikter middel, om deze drukking te leeren kennen.
Wanneer men in een glas met water (zie fig. 102) het eene einde eener glazen
buis dompelt, dan ligt, zonder op de capillariteit acht te
hg. 102. slaan, het vocht buiten en binnen de buis in hetzelfde watei'-
pas a 6, want de drukking der lucht is op beide jilaatsen even
groot. Zuigt men nu een weinig lucht nit de buis weg,
dan klimt het water in deze op, omdat aan liet vocht op die
plaats een gedeelte der luchtdrukking is onttrokken, en er
toch buiten en binnen de buis evenwigt moet bestaan. Dit ver-
schijnsel komt overeen met dat der kleine fontein (zie fig. 100).
Gaat men voort met zuigen of met de lucht weg te nemen, dan
klimt het water al meer en meer op, en wel altijd zoo hoog,
tot de drukking in en buiten de buis gehjk is. Het gedeelte
c d in de buis heeft nu eenen tweeledigeu last te dragen: vooreerst, de ko-
lom water, die er in staat, en ten andere de lucht, welke nog altijd in dc
buis boNcn op den top c ƒ der waterkolom drukt. Was de buis lang genoeg,
zoo zou er eindelijk een oogenblik zijn, dat het vocht cf niet meer zou kunnen
stijgen, cn wel dan, wanneer al de lucht uit de buis was weggenomen. In dat
geval zou het water eene hoogte van omtrent 103 j)ahn boven het watervlak
a b bereikt hebben, en deze hooge kolom water zou alsdan even sterk op de
vlakte cd drukken als eene kolom lucht, zoo hoog als de dampkring en zoo
breed als de buis wijd is. Neemt nu eens aan, dat de wijdte c d een' vier-
kanten duim bedraagt; dan heeft gezegde waterkolom 1030 kubieke duimen
inhoud en weegt derhalve 1030 wigtjes of 1 pond en 3 lood, Wij zijn dan op
die wijze met de hoogst belangrijke waarheid bekend geworden, dat erop elke.
vlakte van een vierkanten duim grootte 1,03 pond lucht drukt, of op elke vier-
kante palm 103 pond. Men is gewoon deze drukking ee'ne dampkringsdrukking
te noemen. Het menschelijk ligchaam wordt derhalve door de lucht, die onze
aarde omgeeft, gedrukt, alsof het op deu bodem eener zee leefde met 103 palm
water bovenzich. Elke vierkante palm van de o})pervlakteonzes ligchaams heeft
103 pond luchtte dragen, en wij zijn dus met eenen last van lucht bezwaard,