Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
180
ongetwijfeld in, dat men de kraan g ook door eene klep bij ƒ had kunnen ver-
vangen.
Dat een dergelijk werktuig ook kan dienen om de lucht te verdikken of za-
men te persen, indien de klep o zich in eene tegenovergestelde rigting, dat is
naar binnen opent, is duidelijk; want is de kraan ^ in dat geval gesloten, dan
dringt bij het ophalen van den zuiger de buitenlucht door de klep o heen in
den cilinder; opent men nu de kraan en drukt men den zuiger neder, dan
sluit zich de klep o en de ingestroomde lucht wordt met geweld door de buis
k i in de klok geperst, welke thans stevig op de plaat l m moet geschroefd
zijn, ten einde niet opwaarts gedrukt en van de plaat afgeworpen te worden;
wordt daarna op nieuw de kraan gesloten en hetzelfde werk herhaald, zoo
moet de lucht steeds eenen hoogeren graad van digtheid verkrijgen.
Dat wij na de verklaring van dit gewigtige werktuig, door een paar
proeven er mede te doen, de groote veér- of spankracht der lucht aan-
toonen .
Behalve dat het op de voorschrevene wijze verkrijgen van eene aanmerkelyke
verdunning der lucht hare voortdurende spankracht bewijst, wordt deze eigen-
schap door de volgende proef duidelijk.
Men legt eene kleine, half met lucht gevulde blaas onder de klok der lucht-
pomp. Naauwelijks heeft men eenige slagen gedaan, of de blaas begint reeds
op te zwellen, even of er nieuwe lucht in kwame. De luchtdeeltjes trachten
Zich derhalve, wamieer zij niet door de omringende lucht worden belemmerd,
meer en meer van elkander te verwijderen en dit bevestigt dus de groote veer-
kracht der lucht opmerkelijk. Eene andere proeve van dien aard wordt op de
volgende wijze verrigt: Men neemt een fleschje (zie fig. 100), tot m a b met
water, en daarboven met lucht gevuld, voorziet het van
eene buis c d, die in c in eene zeer naauwe opening eindigt,
luchtdigt sluit in den hals c, en onder de oppei-vlakte ab
van het water reikt, tot in d. Men zet dit fleschje onder de
klok of den recipient der luchtpomp, en pompt zoo schielyk
mogehjk de lucht van onder de stolp weg. De lucht boven
ab kan zich thans uitzetten, dewijl die buiten de flesch is
weggenomen, zij drukt op het water, perst het bij d door
de buis naar boven en doet het als uit eene fontein door de
opening c opwaarts springen. Waarom zette zich de lucht
in het fleschje niet reeds vroeger uit? — Hiertoe moest
zij water verplaatsen; dit kon niet ontwijken dan door
de buisc d; in deze echter werd het door de buitenlucht
even sterk als door de inwendige lucht gedrukt, met an-
dere woorden, de drukking van den dampkring was met
die van de lucht in het fleschje in evenwigt, en het opstijgen moest dus eerst
volgen, toen de drukking op het water, dat in bet pijpje stond, was weggcuo-
Fig. 100.