Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
177
elkander te verwijderen, omdat hier de cohesie hoogst gering is en door de
warmte worat overtroffen; de luchtdeelen zijn derhalve in eene gedurige span-
ning, volmaakt gelijk aan eene veer, die zich spant of ontspant, naarmate
men haar meer of minder met gewigt bezwaart. De lucht, die in eene blaas of
eeu vat is begrepen, oéfent dus eene gestadige drukking op de wanden dier
voorwerpen uit, en tracht die wanden van elkander te verwijileren. Deze wer-
king der gas-atomen verklaart de bovengebruikte benamingen.
Misschien maakt men de bedenking : als het uitzettingsvermogen op zulk
eene wijze werkzaam is, dan moet er geene lucht rondom de aarde kunnen bestaan,
dan moet de lucht uit alle opene vaten voor een groot gedeelte ontsnappen, zij
zullen dan bijna luchtledig zijn, en wij merken toch het tegendeel op. — Er
zou ook inderdaad geen merkbare dampkring zijn, zoodra de aarde de luchtato-
nien niet met zulk eene veelvermogende kracht naar zich toe trok en de lucht
als ware het niet aan zich deed vasthechten. En wat nu de tweede bedenking
aangaat, stelt u een vat van eene kan inhoud voor, dat aan alle kanten goed is
gesloten. Indien dit nu zonder lucht is en men maakt er eene opening in, zoo
zal de buitenlucht, ten gevolge vau haar aanhoudend pogen, om zich uit te
zetten, erin dringen en het vullen; is het integendeel vol lucht en daar buiten
geene lucht, dan zal om dezelfde reden, indien men eene der wanden doorboort,
de inwendige lucht met geweld er buiten stroomen; is er eindelijk even veel
lucht iu als buiten het vat, dan zal de buitenlucht met even veel kracht door
de opening m het vat trachten te geraken, als de inwendige er zich wil buiten
dringen; deze krachten zullen dus evenwigt maken, en het is bijgevolg de bui-
tenlucht alleen, die op de opening en de wanden van het vat zoodanig drukt,
dat het uitzettingsvermogen der inwendige lucht wordt te niet gedaan.
Deze zeer gewigtige waarheid bevestigt zich door een bij de beoefening
der natuurkunde onmisbaar werktuig, de luchtpomp genaamd. AVij zullen n
het beginsel, waarop het berust, verklaren, en geene uitvoerige beschrij-
ving geven vau de verschillende vormen, waaronder het voorkomt; wanl
Wij houden ons overtuigd, dat de wijze, waarop dit werktuig aau het oog-
merk voldoet, bij elke andere zamenstelling met eenige oplettendheid zal be-
grepen worden.
De luchtpomp werd in 1655 door Otto van Guericke, burgemeester van
Maagdenburg, uitgevonden.
Hij bestaat uit eenen cilinder/) aqb (zie fig. 99), in welken een zuiger c rf juist
sluitende, zoodat er geene lucht tusschen zijneu rand en den wand kan door-
dringen, door middel der zuigerstang <?, op en neder kan bewogen worden. De
zuiger c d heeft eene opening o, die men zich haarfijn kan voorstellen cn die
gesloten is door een klepje, dat zich naar buiten opent. In den bodem vau
den cilinder is insgelijks eene opening/, welke, door middel van de buis of
den koker h i, de gemeenschap daarstelt tusschen het inwendige van de klok
k en den genoemden cilinder. Door het omdraaijen der kraan waarin een