Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
175
hebben, en er wordt water in gegoten, loo staat het vocht in de naauwe
buis iets hooger dan in de wijde.
Doet men in de buizen kwikzilver, dan zal dit metaal in de naauwere buis
iets lager staan. Hoe verklaart men dit ? ^
Brandewijn of rum wordt krachtiger, wanneer men het vat, dat het vocht
inhoudt, met eene dierlijke blaas sluit. Wat kan daarvan de oorzaak zijn ?
Wanneer mei: vloeipapier met olie laat doortrekken, waarom laat het dan
geen vocht door?
VIERDE AFDEELING.
DE BEWKGING EN HET EVENWIGT DER LÜCilTVORMlGE
OF VEÉllKRACïiTIGE VLOEISTOFFEN,
TWEE EN DERTIGSTE LES.
Eigenschappen der lucht in het algemeen. De luchtpomp.
Tot de beschouwing der lucht- of gasvormige stoffen overgaande, willen wij
alleen op de lucht, die ons omringt, elke te vermelden waarheid beproeven en
toepassen, even als wij dit bij de vochten op het water hebben gedaan; want
iedere andere luchtsoort heeft met haar de te vermeldene eigenschappen ge-
meen. Wij zullen daarna onderzoeken in welk opzigt de voornaamste gassoor-
ten of luchten zich van elkander onderscheiden.
De lucht valt niet onmiddellijk onder het zintuig van het gezigt, zooals het
water; vandaar dat hare eigenschappen met meer moeite moeten worden opf
gespoord, en dat zij ook langer verborgen bleven dan die van het water. In de
2<ie les is haar aanwezen, hare stoffelijkheid, in de 5^® en volgende lessen hare
zeer groote zamendrukbaarheid, uitzetbaarheid en veerkracht aangetoond, alsmede
dat de luchtvormige toestand hoofdzakelijk een gevolg is van het afstootend ver-
mogen.
Zeker bestaat er naast het water geen ligchaam in de natuur, welks gebruik
zoo algemeen is uitgestrekt, dat zoo op alle ligchamen invloed uitoefent, en zoo
alom is verspreid, als de lucht, die ons omringt. Men vindt haar overal, zoo-
wel op de toppen der hoogste bergen, als in de diepste aardholen. Dit verba-
zend uitgestrekt luchtomkleedsel der aarde, dat Humboldt zoo eigenaardig
eene luchtzee noemt, op wier bodem wij le7en, heet men dampkring (atmospheer),
omdat het vele dampen in zich sluit, en alle uitwasemingen der verschillende
ligchamen opneemt.
De dampkring strekt zich zeker tot 14 a 16 uren, ja waarschijnlijk tot «aie