Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
173
pervlakte brengt. Dat ether zich gelijkmatig met water kan vermengen, dat
gelijke deelen water en wijngeest, of zwavelzuur en water zich zoo innig met
elkander verbinden, dat er eene aanzienlijke warmte door geboren wordt en de
uitgebreidheid afneemt, bewijst de aantrekking der vochten in het oogvallend-
Intusschen heeft hier ook ongetwijfeld scheikundige werking plaats.
Van de aantrekking of adhesie, die vaste ligchamen op vochten uitoefenen,
gaven wij in de les verscheidene voorbeelden. De capillariteit is er een
gevolg van. Bestaat er aantrekking tusschen de wanden van een vat en het
vocht, in dat vat begrepen, dan vormt de oppervlakte een naar binnen gebogen
vlak. Dit ziet men bij het indompelen der buizen inde 12de les vermeld. Zet
men twee glazen platen A en B zie fig. 986 in een' ondiepen schotel, waarin
men een weinig water heeft ge-
' bragt, zoodanig tegenover elkan-
der, dat zij aan de zijde C D elkan-
der raken, en bij A en B door het
tusschen voegen van een dun stukje
kurk eene geringe tusschenniimte
laten, dan zal het vocht tusschen
de platen volgens de hjn c d op-
klimmen en dus hooger staan, naar-
mate de afstand der platen kleiner
wordt. Wil men dergelijke ver-
schijnselen goed zigtbaar maken,
dan kleurt men het water, door er een paar rlruppels indigo-oplossing in te wer-
pen. Is het vocht van dien aard, dat hierop geene aantrekking door de wanden
wordt uitgeoefend, met andere woorden, dat de vaste oppervlakte er niet door
bevochtigd wordt, zoo vertoont zich de oppervlakte onder een' bollen of naar
buiten gekromden vorm. Het vocht nadert dan meer de kogelgedaante, die een'
enkelen druppel aanneemt.
Door de aantrekking, die vaste ligchamen op sommige vloeistoffen uitoefenen,
verklaart men ook, waarom twee glazen, houten of kurken ballen (zie fig. 98c
Fig. 98c. Fig. 98d.
op eenige duimen afstands van elkander op eene watervlakte gelegd zijnde,
zich naar elkander toe bewegen. Immers het vocht neiging hebbende, om tus-
schen deze ballen op te klimmen, doet ze elkander naderen. Zoo is het ook
gesteld met twee ballen, wier stofdeelen het vocht niet aantrekken. Het vocht
wordt dan tusschen de ballen weggedrukt en daar het dus aan de andere zijde hoo-
ger ligt, dringt dat hooger gelegene vocht de ballen tot elkander (zie fig. 98(0- Even