Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
171
Aan het einde der zeven en twintigste les is er eene eigenschap van het wa-
ter vermeld, waarop zou teruggekomen worden; wij willen hier dit verschijn-
sel verder uiteenzetten.
Het water zet zich uit, wanneer het eenen zekeren graad van koude te boven
gaat, en blijft zich uitzetten tot het in ijs is veranderd; daardoor wordt dit
zeer koude water zoowel als het ijs soortelijk lig ter, dan het minder koude wa-
ter. Gedurende het koutle jaargetijde nu wordt de oppervlakte van het water
door verschillende oorzaken het eerst verkoeld. Hierdoor trekken zich de deel-
tjes der bovenste waterlaag zamen; het water in deze laag wordt daardoor soor-
telijk zwaarder dan het daaronder liggende, valt dus naar beneden, vermengt
zich met de overige lagen en wordt door andere lagen vervangen, die op hare
beurt kouder en digter worden, en insgelijks in de vloeistof zinken. Daar nu
door deze voortdurende beweging altijd de warmere waterdeelen zich boven
aan de oppervlakte bevinden, en de koudere beneden, zoo zou, indien het wa-
ter met de koude steeds in digtheid toenam, en wel tot aan de ijswording toe,
het vocht van boven tot onder eenmaal de vrieskoude bereikt hebben, en
dus op eens van den bodem tot aan de opi)ervlakte ijs worden. Doch dit ge-
beurt niet. — Er is een oogenblik, dat dc omloop van die koude en warme
lagen zoo lang heeft geduurd; tot het water zijnen hoogsten trap van digt»
beid heeft bereikt; dit geschiedt vóór het ijs wordt. De bovenste lagen wor-
den dan nog wel gestadig kouder gemaakt, maar beginnen zich nu uit
te zetten: het bovenste water wordt dien ten gevolge soortelijk ligter cn de
genoemde lagen zinken nu niet meer, even min als het ijs, waarin eindelijk
de oppervlakte verandert. Dit is eene dier wijze beschikkingen in de natuur,
waarbij wij gaarne verwijlen. Het is door dit natuurverschijnsel, dat in de
koude luchtstreken de rivieren, meiren cn zeei'ii op eene zekere diepte vloeibaar
blijven; het is daardoor, dat de levende wezens, die de wateren bevolken, in het
koude jaargetijde in wezen kunnen blijven; cn het is daardoor eindrhjk, dat
eene gestadige omloop der warmte wordt tot stand gebragt tusschcn de puien
cn de evennachtslijn, cn de warmte en koudein de verschillende Inchtstrcklni
meer gematigd wordt.
Toepassingen.
Om de verandering van het zwaartepunt tegen te gaan, moet men den last,
dien de schepen in hebben,.zeer vast leggen. Het is daarom gevaarlijk, wan-
neer zij stoffen vervoeren, die kunnen smelten.
Een groot oorlogsvaartuig kan in een naauw dok, op ccne geringe massa
waters, die veel ligter dan het vaartuig zelf is, <Injvcn.
Men kan op e^n glas witten wijn eene laag rooden wijn schenken.
Bij een gewoon nachtlicht kan men het glas voor een groot dcci met water
vullen.
Wanneer water van boven verwarmd v^ordt, gaat de verspreiding drr
warmte uiterst langzaam.