Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
167
zijn. Deze voorwaarden zijn: Iste het gewigt van het ligchaam moet gelijk zijn aan
het gewigt der verplaatste vloeistof; de zwaartepunten van het ligchaam en dal der
verplaatste vloeistof moeten zich juist loodregt onder elkander bevinden. Legt men den
kogel gelijk fig. 07 voorstelt, zoodat de scheiding s n der beide stoffen verticaal
staat, zoo zal hij eene draaijende beweging verkrijgen, en wel tot zijn zwaarte-
punt^ loodregt onder dat (c)der verplaatste vloeistof ligt (zie fig. 96). In dit geval
zal het evenwigt van den ha\ standvastig of stabiel zijn; hij zal zijne stelling onver-
anderlijk behouden. Dat het ligchaam werkelijk dezen stand moet verkrijgen,
is duidelijk : de drukking naar boven heeft haar aangrijpingspunt in c en
werkt inde rigting van de lijn ƒ c (fig. 97), omdat zij als het ware haar ver-
mogen slechts uitoefent op de verplaatste hoeveelheid waters. Dc zwaartekracht
daarentegen werkt naar beneden, de resultante heeft haar aangrijpingspunt in
g en werkt in de rigting van de lijn g v. Het ligchaam kan nu niet in even-
wigt zijn, of de beide krachten moeten in dezelfde verticale lijn werken.
Brengt men den bal inden stand van fig. 98, zoo zullen ook wel de boven-
genoemde beide zwaartepunten g en c in dezelfde verticale lijn liggen, maar
het evenwigt is nu niet langer stabiel; eene geringe afwijking van het zwaar-
tepunt g buiten dc loodlijn, die door de ])unten g en c getrokken wordt, doet
den bal ronddraaijen, zoo lang lot hij den stand V3n fig. 96 heeft verkregen,
en zijn zw.iartepunt dus de laagste plaats, die het bereiken kan, heeft inge-
nomen. Ligt het zwaartepunt van het drijvende ligchaam juist in het zwaarte-
punt der verplaatste massa vochts, dan bezit het onverschillig evenwigt; want
brengt men het in beweging, het zal geene neiging openbaren, om in zijne
vorige stelling terug te keeren.
Onder de ligchamen, die soortelijk even zwaar zijn als water, is er zeker
niet een merkwaardiger dan dat der visschen. De visch in de vloeistof, waarin
hij leeft, overal in evenwigt zijnde, weegt dus ook juist zoo veel als de hoe-
veelheid waters, die hij verplaatst.
Een walvisch van 30 cl lengte verplaatst omtrent 500 kub. el ot 500,000
kub. palm water, en heeft derhalve eene zwaarte van vijf honderd dui/.end
pond, zelfs iets meer, omdat het zeewater zwaarder is dan zout water. Welke
kolossale wezens bevolken toch de diepten der zeeën !
Door de met de diepte toenemende drukking zonden de visschen echter diep
onder de oppervlakte der zee aanhoudende pogingen moeten aanwenden, om
zich op te honden; maar daartoe bezitten zij eene zwemblaas, welke zij kunnen
zamendrukken en uitzetten, en die gevuld is met eene soort van stikstofincht.
Door de eersle beweging wordt hun omvang kleiner, terwijl hun gewigt het-
zelfde blijft; alzoo worden zij soortelijk zwaarder dan water, en dalen. In het
laatste ge\al neemt hunne uitgebreidheid toe, zij wonlen sofutelijk ligtcr, en
rijzen. Die zwemblaas ligt tegen den rug, ten einde het bovendevl van den visch
te verligtcn, en het zwaurfepunt in den buik te doen vallen. Daartloor is zijn
stand vast en onveranderlijk, want het zwaartepunt heeft neiging on» de laagste