Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
160
het ligchaam zoodanig in het korfje d bevestigd worde, dat het niet drijven
kan, of wel keert het korfje d het onderste boven, zoodat daardoor het te onder-
zoekene ligchaam onder water wordt gehouden. Gebruikt men de gewone ba-
lans, dan wordt er eerst onderzocht hoe zwaar het ligchaam, een stuk kurk
b. v., in de lucht weegt, en daarna wordt het met een zwaarder ligchaam,
een stuk lood, bij voorbeeld, verbonden, waarvan het gewigt buiten en in het
water bekend is. Beide deze ligchamen worden nu in het water gebragt; het
stuk kurk zinkt met het lood naar beneden. Stelt eens, men heeft bevonden,
dat het lood onder water n, het stuk kurk in de lucht b lood weegt, en dat
verderde beide ligchamen vereenigd onderwater c looden zwaar zijn. Dan is
zekere minder dan a, daar het kurk door zijne drijfkracht aan het lood een
gedeelte van zijn gewigt als het ware ontneemt. Trekt men nu c van a en is
het verschil d, zoo is bekend, dat het stuk kurk niet alleen zijn geheel gewigt
van b looden verloren, maar bovendien nog d looden aan het lood ontroofd
heeft; worden nu die beide getallen rf en b te zamen geteld, zoo kent men het
gewigt eener uitgebreidheid waters, die gelijk is aan eene uitgebreidheid kurk,
die b lood weegt. Het eerste getal in het laatste deelende, verkrijgt men de
soortelijke zwaarte van kurk.
Om het specifiek gewigt van ligchamen te kennen, die verst, maar in water
ofdosbaar zijn, bij voorbeeld, zoutkristallen, zoo worden deze in gesmolten was
gedoopt, waardoor ze met een dun vliesje dezer stof worden overtrokken, en
voor het smelten in water beveiligd zijn. Men werkt nu als op de beschrevene
wijze. Zuiverder echter bereikt men zijn doel met het in water oplosbare lig-
chaam in eene vloeistof te wegen, waarin het niet oplosbaar is. Is daardoor dan
de betrekking van het gewigt dezer vloeistof en het zout bekend, zoo heeft
men dit betrckkiugsgetal slechts met de specifieke zwaarte der gebruikte
vloeistof te vermenigvuldigen, om het gezochte te vinden.
Wil men de soortelijke zwaarte van in water onoplosbare poeders kennen, dan
worden deze, na ze eerst op de gewone wijze te hebben gewogen, in een fleschje
gedaan, welks gewigt onder water bekend is; vervolgens laat men dit fleschje
vol water loopen, en bereikt op de vermelde wijze zijn doel. Zijn de poeders
oplosbaar in water, men gebruikt dan hetzelfde bidpmiddel, dat bij het zout is
aangegeven.
De soortelijke zwaarte der vloeistoffen wordt op de volgende wijze gevonden.
Men laat een' glazen kogel of een' bol van eene andere stof, zwaarder dan de te
onderzoekene vloeistoffen, in verschillende vochteu af: deze zal niet in alle
evenveel aan gewigt verliezen, vermits de zwaarte der weggestootene vloeistof
zulks bepaalt. Wel nu, dit verlies in onderscheidene vochten onderzocht zijnde,
zullen de getallen, daarbij gevonden, de zwaarte aangeven van gelijke uitge-
breidheden der gebruikte vloeistoffen, de zwaarte namelijk van een gedeelte
van het vocht, zoo groot als de kogel ; deelt men deze getallen door dat van de
bij het water gevondene zwaarte, dan is het soortelijke gewigt bepaald. Het