Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
mm
m
gcwigt-verlies der kroon J pond te veel, en met betrekking tot het zilver ^ te
weinig. De zoogenaamde rekening van menging wijst ons dus hier eene gemak-
kelijke oplossing van het vraagstuk aan. (Zie rfe Gelder of Stroolman, beginselen
der cijferkunst.) ^
Dat wij de waarheid der genoemde belangrijke grondstelling verstaanbaar
maken.
Men verbeelde zich midden in een groot vat water a b c d (zie fig. 91) eene
Fi<j. 91.
uitgebreidheid p dezer vloeistof die een' bol uitmaakt van
1 el middellijn; de waterdeeltjes, in dezen bol begrepen,
zijn met alle omliggende in evenwigt. Neemt verder
aan, dat de bol p tot ijs worde, dat dus de waterdeelen,
in plaats van eenen vloeibaren eenen vasten bol vormen,
maar waarin zij op dezelfde plaats blijven, dat is, zich
noch naauwer bijeen, noch verder van elkander bewegen,
dat zij juist hunne stelling en hunnen afstand behouden :
dan zal natuurlijk dat ligchaam p in rust blijven, even als of het nog vloeibaar
ware, wam er is niets in den zamenhang veranderd, het evenwigt kan niet
verbroken zijn; de bol zal derhalve niet zinken, en dit moet daaruit ontstaan,
dat hij door eene vloeistof is omringd, die hem aan alle zijden drukt. De kracht,
zamengesteld uit al de ongelijke drukkingen, die de bol aan alle kanten on-
dergaat, moet dus eene kracht zijn, die van beneden naar boven werkt, die
het ligchaam derhalve ophoudt, ondersteunt, naar boven duwt, en gelijk is
aan het gewigt van den bol zeiven. Dit groote ligchaam, meer dan 500 pond
zwaar, zou dus, aan den arm eener balans hangende, daarop geen' invloed uit-
oefenen, het zou al zijn gewigt verloren hebben. Stelt men nu in plaats van p
andere ligchamen, die even zoo uitgebreid zijn, maar zwaarder dan de bol
van water, zoo zal de omliggende vloeistof er natuurlijk hetzelfde op uitwer-
ken ; alle zullen met dezelfde kracht opwaarts worden gedrukt, alle even veel,
dat is meer dan 500 pond, aan gewigt verliezen. Zie hier nog een ander bewijs.
Zij b c (zie fig. 92) een driehoekig prisma, een langwerpig driekant ligchaam
dus, welks zijden parallelogrammen zijn, en welks boven-en on-
dervlak 6 ene uit gelijke en gelijkvormige driehoeken bestaat.
Neemt aan, dat het eene palm lang is en een' vierkanten duim
doorsnede heeft. Dompelt men dit overeind in het water, dan
drukt er eene waterkolom bovenop, die ab tot hoogteen een'
vierkanten duim tot grondvlak heeft. De zwaarte dezer kolom
is de kracht, met welke het ligchaam naar beneden wordt ge-
drukt. Maar uit het in de vorige les behandelde weet men,
dat er op het benedenvlak des h'gchaams eene waterkolom drukt van de hoogte
a c, die insgelijks een' vierkanten duim tot gründ\lak heeft, en dat deze kolom
met haar geheele gewigt het ligchaam van beneden naar boven drukt (zie bladz.
I4I). Verder is bekend, dat de zijdelingsche drukkingen, daar deze in tcgen-
8
Fig. 92.