Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
173
eu zet met deze het werk verder voort. Door dit iniiUlel kan men het tot ccne
diepte van honderden ellen brengen, en treft men nu eindelijk eene ader of eenen
onderaardschen waterstroom aan, die uit eene andere watermassa, hooger ge-
legen dan de j)laats waar gegraven wordt, haren oorsprong neemt, dan springt
het water door de ijzeren buizen boven uit de opening. Merkwaardig is te dezen
aanzien de artesische put nabij Parijs in de vlakte van Grenelle. Deze is 550 el
diep en drijft eenen aanmerkelijk dikken waterstraal 32 el boven den grond.
Ook de put te Minden in de pruissische Rijnprovincie is belangrijk; men heeft
deze tot op ruim 700 el diepte gebragt. Dat zulke waterwellen zeer goed wor-
den aangewend, om raderen in beweging te brengen, en dat deze putboriiig
het best gelukt in bergachtige landen, is uit zichzelf duidelijk.
Toepassingen.
Uit hetgeen aangaande de drukking der vloeistoffen is gezegd, wordt ver-
klaard :
waarom een regenbak zeer veel gevaar loopt om te barsten, indien hij geene
opening heeft, teneinde het water te ontlasten, wanneer hij bijna vol is;
waarom eenige weinige onsen water een vol vat kunnen doen springen, wan-
neer men het vocht giet in eene lange buis, die in den bovenbodem wordt ge-
plaatst ;
waarom in de, tegenwoordig zeer algemeen in gebruik zijnde, lampen de
olie uit het beneden deel der lamp, door middel van de drukking eener goed
sluitende schijf, naar boven kan worden geperst.
TJit het toenemen van de drukking met de diepte wordt het duidelijk :
waarom de wanden van een welgesloten sterk vat, tot eene aanzienlijke diepte
in de zee nedergelaten, inwaarts worden gedrukt;
waarom de wrakken der gezonkene schepen zoo zelden de oppervlakte van
het water bereiken ;
waarom dc parelvisschers, na een kortstondig verblijf in de diepte, magte-
loos worden opgehaald;
waarom de kurk eener welgeslotene, ledige flesch, op eene groote diepte on«
der het opi>crvlak der zee, in den hals der flesch wordt gedreven, en wel in
welke rigting men den hals der flesch ook op die diepte boude ;
waarom eene blaas met lucht gevuld kleiner wordt, naarmate de diepte toe-
neemt, tot welke zij onder dc oppervlakte der zee wordt nedergelaten ;
waarom door een lek onder in <len bodem van een schip meer water instrooint
dan door een gelijk lek op zijde;
waarom het vocht uit de kraan eener koffijkan of van eenig vat sterker
vloeit, indien de kan of het vat \ol is, dan wel wanneer er reeds eene hoeveel-
heid is uitgctapt.
Uit alles, wat over de drukking op de zijwanden van een vat wenl gezegd,
kan men verklaren :