Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
den in de stad of het dorp eenigzins boven den grond verheffen, en met het
andere einde onder den grond door in de rivier reiken. Deze dienen om, zonder
dat men zich naar den oever behoeft te begeven, de hoogte van het water te
kunnen waarnemen. Dat het mogehjk is, om liet water door buizen opwaarts
te doen springen, ja zelfs over heuvelen te leiden, en ter plaatse te brengen,
waar men het behoeft, ziet men in groote steden, \ooral in andere landen, op
eene dikwerf bewonderenswaardige wijze bevestigd; maar dat dan ook de
plaats, van welke men het water afleidt, hooger moet liggen dan die heuvelen
en de steden zeiven, behoeft thans geen bewijs meer. Het verdient opmerking,
dat men op die wijze de vloeistoffen als tegen de zwaartekracht kan doen in-
werken; en toch, zij alleen wordt gehoorzaamd, juist aan haar vermogen heeft
men die waterleidingen te danken.
Kene merkwaardige toepassing van dit een en ander vindt men in het boren
der artesische putten, zoo genaamd naar het frans che graafschap Artois, waar
men deze het eerst heeft geboord, hoewel zij reeds vroeger in andere streken,
vooral in China, schijnen bekend geweest te zijn. Wij willen van deze putbo-
ring eenig denkbeeld trachten te geven.
Dp aardkorst, die uit verschillende lagen van aard-, kalk-, steensoorten,
enz. bestaat, wordt inwendig doorsneden door duizenden water-aderen; die
korst bevat vele voor het oog onzigtbare bronnen, beken, ja zelfs stroomen. Deze
ontstaan door het water, dat door de bovenste aardlagen naar dieper liggende
plaatsen sijpelt. Geraakt dit water nu in eene zandachtige losse of poreuse
laag, welke onder cn boven door lagen steen of klei is afgesloten, die voor het
water ondoordringbaar zijn, zoo verzamelt het zich daar in eene groote hoe-
veelheid. Het kan dikwerf zeer wenschelijk zijn, dat een deel van dit onderaard-
sche water aan de oppervlakte, dat is boven den grond, gebragt worde. Daar-
toe moet de bovenste steen- of klei-laag doorboord worden tot aan die, welke
het water bevat, en dit te bewerkstelligen is het doel der artesische of artesi'
aansche putboring.
Ten einde deze putten tot stand te brengen, neemt men vooraf bij gedeelten
den grond weg, door middel eener zware boor, die men of ronddraait, of on-
ophoudelijk van zekere hoogte in den grond laat vallen, en alzoo de aarde of
de steenachtige zelfstandigheid doet verbrijzelen. De boren zijn zoodanig ge-
vormd, dat door middel van eenen kogel of eene klep de weggenomene aarde
er niet uit terug kan vallen. Vervolgeus worden in de daardoor ontstane ope-
ningen ^an tijd tot tijd geslagen ijzeren buizen geperst, door middel vnn eenen
buitengewoon zwaren hefboom van de tweede soort. Elke buis sluit met het
ondereinde juist op het boveneind der voorafgegane, en dringt bij hare inpersing
de laatstgenoemde al lager en lager. Heeft men alzoo eene groote diepte be-
reikt, en eene lange, met ijzer bekleede cilindervormige opening verkregen
zonder nog eene water-ader te hebben ontdekt, dan plaatst men inde buis, om
haar niet te zeer te doen lijden, naauwere buizen, die juist in de wijdere sluiten,