Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
ISO
der vloeistof hooger daii de andere, zoo zonden de kolommen vochtdeeleil op
die hoogere plaats van onder zwaarder gedrukt worden dan de aanliggende la-
gere kolommen, het evenwigt zou dien ten gevolge verbroken zijn, en er zou
beweging moeten ontstaan. Wanneer eene vloeistof in rust is, zal hare opper-
vlakte effen zijn, derhalve overal even hoog, elk punt op gelijken afstand van
het middelpunt der aarde verwijderd. Zulk eene effene oppervlakte noemt men
watt)^)asse of horizontale vlakte. Zij kan ook werkelijk over niet zeer groote
uitgebreidheden horizontaal heeten, in aanmerking nemende de grootte van
het aardligchaam. Zullen nu de deelen van een \ocht overal gelijken afstand van
het middelpunt der aarde hebben, dan spreekt het van zelve, dat de gezegde
vlakle, even als het oppervlak der aarde, eigentlijk het oppei-vlak van eenen
bol moet uitmaken. Aan de evennachtslijn heeft echter het water eene meerdere
hoogte dan aan de polen, en dit ontstaat door dc middelpuntvliedende kracht.
Die gebogene gedaante loopt bij uitgestrekte watervlakten reeds in het oog; dat
Zij het niet meer doet, is een gevolg van de grootte der aarde. Wij zien uit dit
oen en ander, dat het uiteenvloeijen, het zich verspreiden van vochten, welke
men op den grond of op eenige andere vlakte uitstort, niets anders is dan een
zoeken naar de laagste plaatsen, eene neiging om het middelpunt der aarde te
naderen, eene beweging ter verkrijging eener waterpasse oppervlakte.
Groot is het nut en genoegen, dat deze eigenschap van de vochten den
mensch aanbrengt. Dat beken, i'ivieren en stroomen ontstaan, zich bewegen,
landstreken in allerlei rigtingen doorsnijden en werktuigen in beweging bren-
gen; dat kanalen gegraven, polders uit gemalen kunnen worden, dat door sluizen
het water kan worden gekeerd (waarin men in ons land boven alle andere uit-
munt), deze en honderden andere zaken meer heeft men aan het bestaan der
genoemde eigenschap van de vochten te danken.
Eene andere eigenschap der vochten, die met de vorige volmaakt zamen-
hangt en zich op gelijke wijze als deze laat verklaren, wordt aldus uitge-
drukt : indien verschillende vaten of buizen, vnn welken vorm ook, met elkan-
der gemeenschap hebben, zoo zal een vocht zich in alle zoodanig verspreiden,
dat het overal gelijke hoogte heeft, en de oppervlakten in de verschillende buizen
in hetzelfde waterpas liggen. De afwijking, die hierin door de capillariteit ont-
staat, laten wij buiten rekening.
Date, d,cQnf (zie fig. 88) buizen zijn, die met elkander gemeenschap hebben
door den bak a b, en Iaat in de
buis c zoo lang water worden ge-
goten, totdat zij tot in n gevuld is,
dan zal men na gedaan onderzoek
bevinden, dat alle buizen tot de-
zelfde hoogte /i, l en m gevuld
^ zijn. Dit kan niet anders: want
stelt men, dat de groote buis c tot