Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
tegen eene verticale of opstaande zijde zal dus gekend worden, indien men dc
helft van al de lagen, dat is de helft van de hoogte der vloeistof met den inhoud
vermenigviddigt van het vlak, waartegen de vloeistof rust, en dit produkt weder met
dc digtheid der stof; met andere woorden : men zal die drukking gemakkelijk
kunnen vinden, indien men den zijwand als liggend of horizontaal beschouwt, en
zich verbeeldt, dat daarop de vloeistof half zoo hoog staat, als de wand onder wa^
ter ligt.
Deze wet is in overeenstemming met de meer algemeene, die ook voor schuin
staande zijwanden geldt, en aldus luidt: de drukking van een vocht in eene
loodregte rigting, op niet horizontale wanden, wordt gevonden, indien men
den vlakken inhoud van het, met het vocht in aanraking zijnde, gedeelte vermenig-
vuldigt met de diepte, waaronder het zwaartepunt dier bevochtigde vlakte onder
het vocht ligt, en dit product weder met de specifieke zwaarte van hel vocht.
De vermelde drukking hangt derhalve alleen van de uitgebreidheid der zijde,
de hoogte en de zwaarte der vloeistof af; de wijdte van het vat heeft er geen*
invloed op. Eene sluis, voor welke eene onberekenbaar groote hoeveelheid wa-
ter staat, wordt daardoor niet meer gedrukt, dan eene, waarvoor eene geringe
massa even hoog staat, en bij gevolg ook niet meer dan twee, eenige ellen van
elkander liggende, sluisdeuren, waartusschen het water zich op gelijke hoogte
verheft. Dit kan geene verwondering baren, indien men slechts bedenkt, dat de
zijdelingsche drukking, zooals is aangetoond, met de regtstandige drukking van
boven naar beneden iu het naauwste verband staat; en daar nu in ons geval
de gedrukt wordende oppervlakte der deuren dezelfde uitgebreidheid blijft be-
houden, 't zij er slechts weinig water of eene geheele zee voorstaat, ingeval de
hoogte maar gelijk blijft, zoo zal deze meerdere massa water de drukking op de
sluisdeuren evenmin vergrooten, als de drukking op eene bepaalde oppervlakte
van den bodem zal vermeerderd worden, door het water, dat zich in de lengte
eii breedte rondom die bepaalde vlakte uitstrekt. Staat het water voor eene
sluis 30 palmen hoog, en is elke deur 3 el breed, zoo is de gedrukt wordende
vlakte gehjk aan tweemaal 30 X 30 =r 1800 vierkante palmen. De helft der
hoogte 15 palmen, en het gewigt van eene kubieke palm water een pond zijnde,
zoo worden de deuren gedrukt met een gewigt van 1800 X ^^ 27000 pond.
Wilde men de deuren aau de andere zijde ondersteunen, men zou zulks op
dc derde part van de hoogte der gedrukt wordende vlakte moeten doen. Deze hoogte
is natuurlijk van den bodem afgerekend. Waarom dit op de derde part der
hoogte moet geschieden kan slechts op eene meetkunstige wijze worden bewe-
zen; van de juistheid dier opgave kan men intusschen eenig begrip verkrijgen,
indien men bedenkt, dat volgens de zoo even aangegevene gronden de beneden
helft der onder water staande vlakte eene veel grootere drukking ondergaat
dan de boven helft. Het wordt daardoor ook verklaard, waarom men bij boog
water die zijde der deuren, waartegen slechts weinig water staat, voor een
getleelte verder onder water brengt.