Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
139
Er vloeit nog eene andere opmerking uit voort. '
Het is bekend, dat een kub. duim gezuiverd water een wigtje weegt, en er is
gezegd, dat de digtste ligchamen het zwaarste zijn (zie bl. 28). Een kub. duim
ijs zal derhalve, zoowel als een kub. duim water, dat den graad van koude,
waarbij het gaat bevriezen nabij komt, minder dan een wigtje of gramme we-
gen. Werkelijk weegt een kub. duim ijs slechts 0,9 wigtje. Hieruit volgt,
dat er dus vele voorzorgen bij het vervaardigen van den grondslag der ge-
wigten moeten in acht genomen worden, en dat men daarbij wel degelijk op
den graad van warmte des waters moet acht slaan. O}) deze eigenschap van
het water zullen wij later meer uitvoerig terugkomen, en haar leeren opmer-
ken als een zeer belangrijk verschijnsel in de huishouding der natuur. Wilden
wij het water meer regtstreeks doen kennen als een middel tot instandhouding
van het geschapene, wij zouden ons dan op een veld wagen, dat buiten onze
beschouwing behoort te blijven. In dit opzigt intusschen is het zeker eene der
nuttigste stoffen; want in de meeste veranderingen, die er in de natuur plaats
grijpen, neemt het een werkdadig aandeel.
ircrkUiigeliJk doordringt het de ligchamen, maakt ze in omtrek grooter,
verwijdert alzoo hunne deelen en brengt hen de ontbinding nabij. Steenen,
aardsoorten, hout enz. worden door de inwerking van het water veranderd.
Verschillende voorbeelden van de uitzettende kracht des waters met betrek-
king tot zekere ligchamen zijn reetls hier eu daar gegeven. \Vat met erwten,
boonen, grutten, plantenzaden, enz. gebeurt, wanneer men deze weekt, kan
niet onbekend zijn. Dat strak gespannen papier, doek, snaren, enz. losser wor-
den en eene bogtige oppervlakte krijgen, indien zij nat worden gemaakt, is eene
uitwerking van de genoemde kracht des waters. Dat houten stelen van ijzeren
werktuigen, als hamers, bijlen, enz., indien zij los geraken, weder vast ge-
maakt worden door ze in water te steken; dat tafelbladen of deelen van andere
meubelen soms vaneen scheuren; dat deuren of vensters nu en dan niet willen
sluiten, dit alles zijn uitwerkingen van dezelfde oorzaak.
Het meest echter werkt het wat(!r scheikundig, vereenigt zich met de lig-
chamen en verdeelt hunne moleculen zoodanig in zich, dat deze geheel onken-
baar worden. Gij weet, dat men dit oplossen noemt. Verlangt gij in dit
opzigt er nog meer merkwaardigs van te kennen, raadpleegt dan de reeds
genoemde Scheikunde van Girardin.
ACHT EN TWINTIGSTE LES.
Over het evenwigt der mhten. Hunne drukking iu
vaten, die geuieenscliap mei elkander
hebbeu. Hel waterpas.
Dat wij thans trachten op te sporen de voorwaarden, onder welke de
ilrnpvorinige vloeistoffen in evenwigt zijn, en onderzoeken, welke drukking zij