Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
Fig 73b.
den omtrek des cilinders op het weder ontrolde papier aan, trekt men ver-
volgens lijnen/^ en g h evenwijdig aan de lengte (cd) en het grondvlak {df)
van de rol, dan zal natuurlijk het stuk papier dfgc tusschen deze lijnen be-
sloten, juist eeimiaal om de rol gaan. Merkt hierbij op, dat de lijn cg, welke
alsdan éénen schroefdraad uitmaakt, de lengte van een hellend vlak voorstelt,
waarvan ch of de afstand van den schroefdraad de hoogte is. Wordt de vaar-
schroef d bewogen, (zie fig. 73a) dan is deze beweging volmaakt gelijksoor-
tig aan die van het hellend vlak, dat verplaatst wordt en onder fig. 70 is
onderzocht. Het ligchaam c, waarin de moer ligt, is in dat geval onverplaats-
baar, het einde n der schroef kan zich vrij op het ligchaam m ronddraaijen en
voert bij zijne nederwaartsche beweging het deksel m met zich mede. Bevin-
den er zich nu in de sterke kuip (waarin m goed sluitend schuift, en die aan
de linkerzijde voor een gedeelte is weggenomen, opdat het inwendige zoude
kunnen gezien worden) stoffen, die moeten uitgeperst worden, zoo kan men dit
met de schroef zeer goed verrigten en het uitgeperste vocht door de kraan e wor-
den opgevangen.
Fig. 73b stelt eene schroef voor, waarbij de moer a wordt verplaatst en de ci-
linder onbewegelijk blijft. In beide gevallen
kan men het evenwigt tusschen magt en last
bepalen op de wijze, zoo als dit op bladz.
130 bij het hellend vlak is verrigt. De kracht
toch werkt bij het omdraaijen des schroef-
cilinders of van de moer gewoonlijk loodregt
op de lengte van de schroef, dat is, evenwij-
dig aan de grondvlakte en dus zal, volgens
het bij het hellend vlak bewezene, de magt
tot den last staan, als h c of de afstand
van den schroefdraad tot h § of den omtrek
des cilinders (zie fig. 73). Hoe kleiner dus
h c wordt, dat is, hoe digter de slingeringen
des schroefdraads bij elkander liggen, hoe
kleiner de magt in vergelijking van den last
zijn zal, om evenwigt te maken. Daarbij komt nog, dat meestal de magt,
door middel van eenen hef boom a ƒ (fig. 72, zie ook fig. 73a), de schroef om
hare as ronddraait; zij doorloopt derhalve eenen cirkelomtrek, welks straal
de afstand is van de magt ƒ tot het middelpunt m des cilinders. Zij zal der-
halve tot den last staan, als de lengte van den cirkelomtrek tot den afstand des
schroefdraads
Stelt eens, dat de hefboom mf 1 el lang is, en dat de schroefdraden 2 duim
van elkander staan, dan doorloopt de magt bij elke omdraaijing bijna 6 el of
600 duim, tegen dat de last 2 duim aflegt, welke last veelal bestaat in de druk-
king van het einde b der vaarschroef op eenige wederstandbiedende vlakte, of,
zoo de moerschroef bewogen wordt en de vaarschroef onverplaatsbaar is, in